ECLI:NL:RBZWB:2025:9025
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek rechter in familierechtelijke hoofdzaak kennelijk ongegrond verklaard
In deze zaak diende een wrakingsverzoek tegen de familierechter in een lopende hoofdzaak. Verzoeker stelde dat de rechter de zitting niet had verdaagd ondanks meerdere verzoeken, waardoor hij onvoldoende voorbereid zou zijn. Tevens werd aangevoerd dat de rechtbank in het verleden partij zou kiezen voor de moeder.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Uitgangspunt is dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, en alleen uitzonderlijke omstandigheden kunnen leiden tot een vermoeden van vooringenomenheid.
De kamer oordeelde dat het niet verplaatsen van de zitting een procesbeslissing is waarover niet geoordeeld kan worden in een wrakingsprocedure. Verder ontbraken zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid. Ook eerdere ervaringen met de rechtbank kunnen geen grond zijn voor wraking.
De wrakingskamer verklaarde het verzoek daarom kennelijk ongegrond en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de familierechter is kennelijk ongegrond verklaard en de hoofdzaak wordt voortgezet.