Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op haar bezwaar tegen de beslissing van 23 april 2025 over haar recht op een WIA-uitkering. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, omdat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en eiseres het UWV op 13 november 2025 in gebreke heeft gesteld.
Het UWV heeft als reden voor de vertraging een tekort aan verzekeringsartsen aangevoerd en verzocht om een beslistermijn van 30 weken. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen, maar wijst het verzoek van het UWV voor een langere termijn af.
De rechtbank legt het UWV een dwangsom op van € 100,- per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Omdat het UWV al een dwangsombeslissing heeft genomen, stelt de rechtbank de dwangsom niet zelf vast.
Daarnaast moet het UWV het griffierecht van € 54,- en proceskosten van € 467,- aan eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 20 maart 2026.