4.2Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Verzoek tot opstellen ontnemingsproces-verbaal
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is om tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te komen niet nodig dat wordt vastgesteld dat de drugsfeiten waarvoor betrokkene in België is veroordeeld tot wederrechtelijk verkregen voordeel hebben geleid. Ook is niet nodig het eventueel verkregen voordeel te becijferen vanuit het dossier dat heeft geleid tot die veroordeling. De rechtbank zal het verzoek van de verdediging tot het opstellen van een ontnemingsproces-verbaal dan ook afwijzen.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 oktober 2016 veroordeeld voor een gewoonte maken van medeplegen van witwassen. Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis en is vervolgens bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 31 januari 2024 veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen van geldbedragen tot een totaalbedrag van € 488.310,90.
Dit betreft een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Tegen betrokkene is een SFO ingesteld. Aan de formele vereisten van artikel 36e, derde lid, Sr (oud) is daarmee voldaan.
Op grond van het SFO kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat betrokkene voordeel heeft genoten door de feiten waarvoor hij is veroordeeld (het witwassen). Het is wel aannemelijk dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, als bedoeld in artikel 36e, derde lid, Sr (oud). De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De politie heeft een berekening gemaakt aan de hand van een eenvoudige kasopstelling over de periode van 24 januari 2006 tot en met 15 december 2009. Bij een dergelijke kasopstelling worden de legale contante inkomsten vergeleken met de legale contante uitgaven. Daaruit blijkt dat sprake is van grote hoeveelheden contant geld waarvoor verdachte geen (afdoende) verklaring heeft gegeven bij de politie. Ook in de ontnemingsprocedure is een verklaring van betrokkene niet gekomen. De enkele stelling van betrokkene (die namens hem door de raadsman naar voren is gebracht) dat de contante gelden voor de aanschaf van goederen bij [BV 2] afkomstig waren van [persoon 1] , is hiertoe onvoldoende.
Uit de kasopstelling blijkt dat betrokkene regelmatig contante stortingen op zijn bankrekeningen heeft gedaan en grote contante uitgaven heeft gedaan. Hij heeft op grote schaal goederen aangekocht om deze vervolgens naar Afrika te verschepen. Deze contante stortingen en uitgaven kunnen niet door legale inkomsten worden verklaard. De rechtbank zal de omvang van het wederrechtelijk voordeel schatten en de eenvoudige kasopstelling die de politie heeft gemaakt daarbij als uitgangspunt nemen, waarbij ten aanzien van een aantal posten wordt afgeweken van de berekening van de politie zoals hierna wordt toegelicht.
De rechtbank gaat uit van de volgende bedragen:
Contante stortingen op eigen bankrekeningen: € 61.143,57
Aankoop goederen [BV 2] € 106.670,=
Aankoop goederen [BV 1] € 173.513,=
Aankoop auto’s AHV € 16.350,=
Aankoop auto’s [BV 3] € 4.000,=
Contante stortingen bij Western Union € 10.034,33
1) Contante stortingen op eigen bankrekeningen
Ten aanzien van deze post geldt dat op het totale bedrag aan contante stortingen van € 107.224,98 een bedrag van € 46.081,41 aan kasopnames in mindering is gebracht, omdat het in theorie mogelijk is dat (een deel) van deze kasopnames gebruikt zijn voor het doen van contante stortingen. Het bedrag van € 46.081,41 is door de officier van justitie niet meegenomen in de vordering en zal daarom door de rechtbank ook niet worden betrokken bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
3) Aankoop goederen [BV 1]
Ten aanzien van deze post geldt dat op één factuur ten bedrage van € 28.263,= van [BV 1] de naam van [persoon 2] staat vermeld en niet die van betrokkene. Deze uitgave is door de officier van justitie niet meegenomen in de vordering en zal daarom door de rechtbank ook niet worden betrokken bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Overige posten die niet in de berekening zijn meegenomen
Uit de kasopstelling komt naar voren dat betrokkene contante uitgaven heeft gedaan voor de aankoop van een partij rijst en voor verscheepte auto’s volgens de Belgische douanelijst. Deze uitgaven zijn door de officier van justitie niet meegenomen in de vordering en zullen daarom door de rechtbank ook niet worden betrokken bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Conclusie
De berekening van de rechtbank wijkt af van de vordering van de officier van justitie (verschil van twee cent). De rechtbank kan geen hoger bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen dan is gevorderd. Gelet hierop en gelet op wat hiervoor is overwogen, schat de rechtbank het totale genoten wederrechtelijk verkregen voordeel op
€ 371.710,88.
Verdeling
De rechtbank ziet geen aanleiding om het wederrechtelijk verkregen voordeel deels toe te rekenen aan de mededaders van de drugsfeiten waarvoor betrokkene in België is veroordeeld. Zoals hiervoor reeds is overwogen is het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel niet gebaseerd op die concrete feiten.