ECLI:NL:RBZWB:2026:1979

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
12-700303-09
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 126 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeling voor medeplegen witwassen

Betrokkene is veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen en tegen hem is een ontnemingsvordering ingesteld op grond van artikel 36e, derde lid, Wetboek van Strafrecht (oud). De rechtbank beoordeelt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet direct hoeft te worden gekoppeld aan de concrete feiten van witwassen, maar ook kan voortkomen uit andere strafbare feiten die tot vermogensvermeerdering hebben geleid.

Op basis van een kasopstelling over de periode 2006-2009 is vastgesteld dat betrokkene contante stortingen en uitgaven heeft gedaan die niet met legale inkomsten kunnen worden verklaard. De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €371.710,88, waarbij enkele posten zijn uitgesloten zoals bepaalde facturen en uitgaven voor rijst en auto’s.

De verdediging verzocht om een nieuw ontnemingsproces-verbaal op te stellen, maar dit verzoek is afgewezen omdat de kasopstelling voldoende grond biedt voor de schatting. De rechtbank wijst ook af om het bedrag te verdelen over mededaders, omdat het bedrag niet direct aan de drugsfeiten is gekoppeld.

Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn wordt het ontnemingsbedrag gematigd met €5.000,=, waardoor de verplichting tot betaling wordt vastgesteld op €366.710,88. De duur van de gijzeling bij niet-betaling wordt vastgesteld op maximaal 1080 dagen.

De beslissing is genomen door de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 19 maart 2026 en berust op artikel 36e, derde lid, Wetboek van Strafrecht (oud).

Uitkomst: Betrokkene is veroordeeld tot betaling van €366.710,88 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 12-700303-09
vonnis van de rechtbank van 19 maart 2026
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] (Sierra Leone),
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
raadsman mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1.De procedure

Betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 oktober 2016 veroordeeld voor een gewoonte maken van medeplegen van witwassen tot de in dat vonnis vermelde straf. Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
Bij tussenbeslissing van de rechtbank-Zeeland-West-Brabant van 20 oktober 2016 is het onderzoek in de ontnemingszaak heropend en het onderzoek ter terechtzitting geschorst.
Betrokkene is bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 31 januari 2024 veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen tot de in die uitspraak vermelde straf.
Op 3 april 2025 heeft de rechtbank een schriftelijke voorbereidingsprocedure bevolen. In dat kader hebben de officier van justitie en de raadsman ieder twee keer een schriftelijke conclusie ingediend. De officier van justitie heeft daarbij de vordering (laatstelijk) gewijzigd.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 februari 2026, waarbij officier van justitie mr. R. in ‘t Veld en de raadsman van betrokkene hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie baseert zijn vordering op artikel 36e, derde lid, Wetboek van Strafrecht zoals dat artikel luidde voor juli 2011 (hierna: artikel 36e Sr (oud)). Op grond van het strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: SFO) is aannemelijk dat andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen ter hoogte van € 371.710,88. Dit bedrag is gebaseerd op de kasopstelling uit het SFO. De uitgavenposten en contante stortingen kunnen tot de hoogte van dat bedrag niet worden verklaard door legale inkomsten. Daarbij zijn de aanschaf van goederen bij [BV 1] voor een bedrag van € 65.750,=, de aankoop van een partij rijst ter hoogte van € 225.000,= en het bedrag van € 116.000,= voor de verscheepte auto’s niet meegenomen. Een directe link tussen het verkregen geld en de drugshandel waarvoor betrokkene is veroordeeld, ontbreekt. Een directe link is ook niet vereist. Er is daarom onvoldoende grond voor het becijferen van het wederrechtelijk verkregen voordeel vanuit het drugsdossier en het verdelen van het bedrag over de (zes) mededaders is daarom ook niet aan de orde. De duur van de gijzeling bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden bepaald op de maximale duur van 1080 dagen. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn kan een bedrag van € 5.000,= in mindering worden gebracht.

3.Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan worden gelijkgesteld aan het bedrag dat is witgewassen. Om te komen tot vaststelling van wederrechtelijk verkregen voordeel moet aannemelijk zijn dat andere strafbare feiten – te weten de drugsfeiten waarvoor betrokkene in België is veroordeeld – er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden becijferd vanuit het drugsdossier. Daartoe zou een nieuw ontnemingsproces-verbaal opgesteld moeten worden en verzocht wordt dit te gelasten. Er kan niet worden volstaan met een verwijzing naar de kasopstelling. Indien zou worden uitgegaan van de kasopstelling, moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat er tenminste zes personen deelden in de opbrengsten en zou het bedrag door zes moeten worden gedeeld. In verband met de forse overschrijding van de redelijke termijn zal het terug te betalen bedrag moeten worden gematigd.

4.Het oordeel van de rechtbank

4.1
De grondslag van de vordering
De officier van justitie heeft zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr (oud).
Op grond van dit artikel kan op vordering van de officier van justitie aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
Uit de wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak volgt dat een ontnemingsmaatregel op grond van het voornoemde artikel kan worden opgelegd niet alleen voor het wederrechtelijk voordeel dat uit dat misdrijf of eventuele soortgelijke misdrijven is getrokken, maar ook voor enigerlei andere wederrechtelijke verrijking, hoe en wanneer ook verkregen [1] en dat de verplichting tot betaling van een ontnemingsbedrag ook kan worden opgelegd als het voordeel is verkregen uit feiten waarvoor niet is vervolgd en veroordeeld. [2] Artikel 36e, derde lid, Sr stelt niet de eis dat die andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Voldoende is dat aannemelijk wordt dat de betrokkene uit die strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Het is mogelijk om op grond van artikel 36e, derde lid, Sr wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen van een betrokkene die is veroordeeld voor witwassen, bijvoorbeeld wanneer uit een kasopstelling blijkt dat de betrokkene de beschikking heeft gekregen over een vermogensbestanddeel terwijl niet blijkt dat dit vermogensbestanddeel een legale herkomst heeft en/of dat de betrokkene in een bepaalde periode uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard, en het mede in het licht daarvan aannemelijk is dat het bewezen verklaarde misdrijf of andere strafbare feiten hebben geleid tot wederrechtelijk verkregen voordeel voor de betrokkene. De rechter is in dat geval niet gehouden te concretiseren welke andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene het op basis van zo’n kasopstelling geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Het is dus mogelijk dat een vermogensbestanddeel waarover de betrokkene de beschikking heeft en dat het voorwerp vormt ten aanzien waarvan het misdrijf witwassen is begaan in een kasopstelling wordt betrokken en op die manier meetelt als vermogensbestanddeel van de betrokkene in de berekening van het op grond van het derde lid van artikel 36e Sr te ontnemen voordeel. [3]
De schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan slechts worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De rechter heeft hier te oordelen door een afweging van aannemelijkheden. [4] De stelling van het openbaar ministerie, dat de betrokkene op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel heeft genoten, dient steun te vinden in de resultaten van het SFO. Het is vervolgens aan de betrokkene om voldoende tegenbewijs te leveren, waarbij zijn standpunt met deugdelijke feiten moet worden onderbouwd. Bij het uitblijven van een verifieerbaar of geloofwaardig verweer door de betrokkene kan, eveneens op grond van de resultaten van het SFO, de bedoelde aannemelijkheid worden vastgesteld en is ook een door de betrokkene niet verklaarbaar gemaakte vermogensvermeerdering vatbaar voor ontneming. [5]
4.2
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Verzoek tot opstellen ontnemingsproces-verbaal
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is om tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te komen niet nodig dat wordt vastgesteld dat de drugsfeiten waarvoor betrokkene in België is veroordeeld tot wederrechtelijk verkregen voordeel hebben geleid. Ook is niet nodig het eventueel verkregen voordeel te becijferen vanuit het dossier dat heeft geleid tot die veroordeling. De rechtbank zal het verzoek van de verdediging tot het opstellen van een ontnemingsproces-verbaal dan ook afwijzen.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 oktober 2016 veroordeeld voor een gewoonte maken van medeplegen van witwassen. Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis en is vervolgens bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 31 januari 2024 veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen van geldbedragen tot een totaalbedrag van € 488.310,90.
Dit betreft een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Tegen betrokkene is een SFO ingesteld. Aan de formele vereisten van artikel 36e, derde lid, Sr (oud) is daarmee voldaan.
Op grond van het SFO kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat betrokkene voordeel heeft genoten door de feiten waarvoor hij is veroordeeld (het witwassen). Het is wel aannemelijk dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, als bedoeld in artikel 36e, derde lid, Sr (oud). De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De politie heeft een berekening gemaakt aan de hand van een eenvoudige kasopstelling over de periode van 24 januari 2006 tot en met 15 december 2009. Bij een dergelijke kasopstelling worden de legale contante inkomsten vergeleken met de legale contante uitgaven. Daaruit blijkt dat sprake is van grote hoeveelheden contant geld waarvoor verdachte geen (afdoende) verklaring heeft gegeven bij de politie. Ook in de ontnemingsprocedure is een verklaring van betrokkene niet gekomen. De enkele stelling van betrokkene (die namens hem door de raadsman naar voren is gebracht) dat de contante gelden voor de aanschaf van goederen bij [BV 2] afkomstig waren van [persoon 1] , is hiertoe onvoldoende.
Uit de kasopstelling blijkt dat betrokkene regelmatig contante stortingen op zijn bankrekeningen heeft gedaan en grote contante uitgaven heeft gedaan. Hij heeft op grote schaal goederen aangekocht om deze vervolgens naar Afrika te verschepen. Deze contante stortingen en uitgaven kunnen niet door legale inkomsten worden verklaard. De rechtbank zal de omvang van het wederrechtelijk voordeel schatten en de eenvoudige kasopstelling die de politie heeft gemaakt daarbij als uitgangspunt nemen, waarbij ten aanzien van een aantal posten wordt afgeweken van de berekening van de politie zoals hierna wordt toegelicht.
De rechtbank gaat uit van de volgende bedragen:
Contante stortingen op eigen bankrekeningen: € 61.143,57
Aankoop goederen [BV 2] € 106.670,=
Aankoop goederen [BV 1] € 173.513,=
Aankoop auto’s AHV € 16.350,=
Aankoop auto’s [BV 3] € 4.000,=
Contante stortingen bij Western Union € 10.034,33
Totaal: € 371.710,90
1) Contante stortingen op eigen bankrekeningen
Ten aanzien van deze post geldt dat op het totale bedrag aan contante stortingen van € 107.224,98 een bedrag van € 46.081,41 aan kasopnames in mindering is gebracht, omdat het in theorie mogelijk is dat (een deel) van deze kasopnames gebruikt zijn voor het doen van contante stortingen. Het bedrag van € 46.081,41 is door de officier van justitie niet meegenomen in de vordering en zal daarom door de rechtbank ook niet worden betrokken bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
3) Aankoop goederen [BV 1]
Ten aanzien van deze post geldt dat op één factuur ten bedrage van € 28.263,= van [BV 1] de naam van [persoon 2] staat vermeld en niet die van betrokkene. Deze uitgave is door de officier van justitie niet meegenomen in de vordering en zal daarom door de rechtbank ook niet worden betrokken bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Overige posten die niet in de berekening zijn meegenomen
Uit de kasopstelling komt naar voren dat betrokkene contante uitgaven heeft gedaan voor de aankoop van een partij rijst en voor verscheepte auto’s volgens de Belgische douanelijst. Deze uitgaven zijn door de officier van justitie niet meegenomen in de vordering en zullen daarom door de rechtbank ook niet worden betrokken bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Conclusie
De berekening van de rechtbank wijkt af van de vordering van de officier van justitie (verschil van twee cent). De rechtbank kan geen hoger bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen dan is gevorderd. Gelet hierop en gelet op wat hiervoor is overwogen, schat de rechtbank het totale genoten wederrechtelijk verkregen voordeel op
€ 371.710,88.
Verdeling
De rechtbank ziet geen aanleiding om het wederrechtelijk verkregen voordeel deels toe te rekenen aan de mededaders van de drugsfeiten waarvoor betrokkene in België is veroordeeld. Zoals hiervoor reeds is overwogen is het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel niet gebaseerd op die concrete feiten.
4.3
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als aanvangsdatum voor de redelijke termijn kan aangenomen worden het moment waarop betrokkene ervan op de hoogte is geraakt dat tegen hem een SFO als bedoeld in artikel 126 van Pro het Wetboek van Strafvordering is ingesteld. Dat was op 26 april 2010.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de invloed van de verdediging op het procesverloop en de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid. In de strafzaak is op 31 januari 2024 arrest gewezen naar aanleiding van het hoger beroep tegen de beslissing in eerste aanleg op 20 oktober 2016. De procespartijen hebben ingestemd met het uitstellen van de behandeling van ontnemingsvordering in afwachting van de behandeling van de hoofdzaak in hoger beroep.
Hoewel de verdediging ook invloed heeft gehad op het procesverloop, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn fors is overschreden en dat deze overschrijding matiging van het vast te stellen ontnemingsbedrag tot gevolg moet hebben. Hiermee rekening houdende zal de rechtbank de verplichting tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet opleggen gelijk aan het hiervoor vermelde bedrag waarop het als wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, maar dat bedrag verminderen in die zin dat de vermindering wordt gemaximeerd op € 5.000,=.
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag dus vaststellen op
€ 366.710,88.

5.Het wettelijke voorschrift

De beslissing berust op artikel 36e Sr (oud).

6.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 371.710,88;
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 366.710,88, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op
1080 dagen;
- wijst af het meer of anders gevorderde / verzochte.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. L.W. Louwerse en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.J. van der Welle en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 maart 2026.

Voetnoten

1.MvT, Kamerstukken
2.Hoge Raad 15 oktober 2002, NJ 2003, 84
3.Hoge Raad 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1821
4.MvA, Kamerstukken
5.Kamerstukken