Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 1948 en maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €187.000 per 1 januari 2023, waarop de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) is gebaseerd.
De heffingsambtenaar gebruikte de vergelijkingsmethode met referentiewoningen in de buurt, die voldoende vergelijkbaar zijn qua type, ligging en bouwjaar. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen, zoals het matige onderhoud en slechte voorzieningen van de woning, door een neerwaartse correctie van 30% toe te passen.
Belanghebbende verscheen niet op de zitting, ondanks correcte uitnodiging. De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en dat de procentuele stijging ten opzichte van voorgaande jaren niet relevant is voor de waardebepaling.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en aanslag OZB blijven gehandhaafd, en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.