Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
Maatschap [vergunninghouder], uit [woonplaats] , vergunninghouder.
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- het project hierdoor aanzienlijk wijzigt qua aard en ruimtelijke impact;
- de milieugevolgen (geur, geluid, emissies) verschillen ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag;
- dit een andere planologische beoordeling vereist, inclusief een nieuwe belangenafweging.
Conclusie en gevolgen
.Eiser heeft in dat kader een formulier proceskosten overgelegd, waarin wordt verzocht om vergoeding van € 106,00 aan verletkosten en € 16,24 aan reiskosten. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van een halve werkdag (4 uur) in verband met het bijwonen van de zitting. Eiser heeft hiertoe een recente salarisspecificatie overgelegd. Bij verletkosten gaat het alleen om kosten van tijdsverzuim voor het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis. Gelet op de woonplaats van eiser en het tijdstip en tijdsduur van de zitting beperkt de rechtbank de vergoeding tot twee uur. De rechtbank stelt het uurtarief in redelijkheid vast op € 26,50 per uur (€ 106,00 gedeeld door 4 uur). De vergoeding voor verletkosten bedraagt daarmee € 53,00. Voorts komt het bedrag van € 16,24 aan reiskosten voor vergoeding in aanmerking. De totale vergoeding bedraagt dan € 69,24.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,00 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 69,24 aan proceskosten aan eiser.