4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Inleiding
Verdachte en aangeefster hadden in het verleden een liefdesrelatie met elkaar. Op14 september 2021 heeft verdachte aangeefster met een mes in haar been gestoken, waardoor een slagaderlijke bloeding is ontstaan. Voor deze poging tot doodslag is verdachte bij vonnis van 29 november 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en is aan hem een contactverbod met aangeefster voor de duur van vijf jaar opgelegd (ECLI:NL:RBZWB:2022:7129). Daarnaast is in dat vonnis bepaald dat verdachte aangeefster een schadevergoeding van € 8.155,67 moet betalen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tijdens de detentie of in elk geval tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte is er weer contact ontstaan tussen hem en aangeefster. In eerste instantie verliep dat contact digitaal en vanaf oktober 2023 spraken zij ook fysiek met elkaar af, vaak in hotels. Ook van 15 tot en met 17 februari 2024 verbleven zij samen in een hotel in Rotterdam . Gedurende dit laatstgenoemde verblijf onderhield verdachte via Snapchat contact met zijn vriend [persoon 1] en met ene ‘ [persoon 2] ’. Snapchatberichten die door hen zijn uitgewisseld, zijn aangetroffen op de telefoon van verdachte. Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 106 (hierna: p-v 106) bevat een weergave van die berichten.
Feit 1: afpersing
Niet ter discussie staat dat verdachte geldbedragen van aangeefster heeft ontvangen en dat hij – in het bijzijn van aangeefster – met de pinpas van aangeefster geld van haar bankrekening heeft opgenomen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of aangeefster vrijwillig haar pinpas, pincode en de geldbedragen heeft afgegeven of dat zij hiertoe door verdachte (onder bedreiging) met geweld is gedwongen. De rechtbank oordeelt op basis van de bewijsmiddelen, dat geen sprake is van vrijwilligheid maar van dwang door bedreiging met geweld en motiveert dit als volgt.
Uit zowel de verklaring van aangeefster als die van verdachte volgt dat aangeefster op enig moment weer liefdesgevoelens voor verdachte kreeg. Verdachte wist dit. Hij verklaart dat hij het lastig vond dat zij met elkaar omgingen, terwijl hij via het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) nog de schadevergoeding van de veroordeling uit 2021 betaalde. Hij stelde aangeefster daarom voor om het reeds door hem betaalde bedrag aan schadevergoeding aan hem terug te betalen, anders zou hij het contact verbreken. Aangeefster voor deze keuze stellen, wetende dat zij weer liefdesgevoelens voor hem had gekregen, merkt de rechtbank aan als het uitoefenen van psychische druk.
Aangeefster verklaart ook dat verdachte op verschillende momenten en manieren dreigde om haar of haar familie iets aan te doen als zij hem niet betaalde, waarbij hij ook meermaals refereerde aan het steekincident in 2021. Uit Snapchatberichten volgt dat verdachte richting [persoon 1] en ‘ [persoon 2] ’ in niet mis te verstane bewoordingen beschrijft dat hij aangeefster dwingt om geld af te geven, dat zij die situatie zichtbaar lijdend ondergaat en dat er gewonden zouden vallen als hij een wapen bij zich had of als aangeefster niet betaalt. In de bewijsmiddelen is p-v 106 integraal opgenomen. De rechtbank stelt hier vast dat uit de tekst en de toon van de Snapchatberichten valt op te maken dat verdachte al € 5000,- had ontvangen (“5 koppe getrokke”) en nog € 3000,- wil ontvangen. Voorts zal hij aangeefster, die niet wil betalen (“dokken”), niet laten gaan zolang ze niet betaalt. Als aangeefster niet gaat betalen dan gaan er gewonden vallen.
De telefoon van verdachte was nog niet uitgelezen en p-v 106 was dus ook nog niet opgesteld, laat staan bekend bij aangeefster, toen zij haar verklaringen aflegde. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster over de bedreigingen daarom betrouwbaar. De algemene verklaring van verdachte tijdens de zitting van 3 maart 2026, dat al deze berichten slechts grootspraak en niet gemeend waren, acht de rechtbank mede in het licht van het steekincident in 2021 ongeloofwaardig. Bovendien communiceerde verdachte op soortgelijke wijze richting aangeefster, zo volgt uit Snapchatberichten die hij haar stuurde: “Je hoort al dood te zijn”, “Ik doe nog kk rustig met je” en “Kijk wat gebeurd als k je 12 niet zie”.
De lichaamshouding en gezichtsuitdrukking van aangeefster op de camerabeelden van de pintransacties op 15 februari 2024, zoals beschreven ter zitting, sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat bij aangeefster geenszins sprake was van vrijwilligheid bij het pinnen en afgeven aan verdachte van geld. Verdachte zelf verklaarde hierover tijdens de zitting van
5 december 2025 dat hij merkte dat aangeefster op die dag bij de geldautomaat wat afwezig deed en een beetje afwachtend bleef staan, dat hij toen het voortouw nam, zei “Ik doe het wel” en het geld opnam. Ook de list die aangeefster aanwendde sterkt de rechtbank in haar overtuiging. Aangeefster verzon en zei tegen verdachte dat zij bij haar thuis in [plaats] nog geld had en dat ze dat daar konden ophalen als haar vader niet thuis was. Intussen heeft zij via berichten per telefoon haar vader van de situatie op de hoogte gesteld en om hulp gevraagd. Vader heeft de politie ingeschakeld en toen verdachte met aangeefster op
17 februari 2024 in [plaats] op het station aankwam, is hij aangehouden.
Dat aangeefster in eerste instantie wel meewerkte om verdachte geld te betalen, maar hier later op terugkwam, dat zij zelf met het openbaar vervoer naar verdachte reisde en dat het seksueel contact tussen haar en verdachte wel telkens vrijwillig plaatsvond, is wellicht opmerkelijk te noemen, maar betekent niet dat zij uiteindelijk ook daadwerkelijk vrijwillig tot afgifte van haar pinpas, pincode en geldbedragen overging. Integendeel, ook voor verdachte was het overduidelijk dat aangeefster hem niet wilde betalen, zo blijkt uit de beelden van het pinnen als hiervoor al benoemd en uit de Snapchatberichten die hij naar [persoon 1] en ‘ [persoon 2] ’ stuurde. De rechtbank stelt vast dat aangeefster weer verliefd was geworden op verdachte en dat dit, in combinatie met alle in de tenlastegelegde woordelijke bedreigingen, haar in een positie heeft gebracht waarin het zo goed als onmogelijk is om weerstand tegen verdachte te bieden.
Wat betreft de hoogte van de door aangeefster afgegeven geldbedragen komt uit de gegevens van haar bankrekening naar voren dat er op 1 december 2023 een bedrag van
€ 1.000,- van haar bankrekening is opgenomen, op 30 december 2023 nogmaals € 1.000,- en op 15 februari 2024 vijf keer € 1.000,-. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte elk van deze bedragen, dus in totaal € 7.000,-, al had ontvangen. Uit p-v 106 volgt namelijk dat verdachte op 16 februari 2024 naar [persoon 1] stuurt: “Gister 5 getrokken dus in totaal 7, dus nu nog 3”. De verklaring van verdachte tijdens de zitting van 3 maart 2026, dat hij met dit bericht aan [persoon 1] heeft bedoeld dat er in totaal € 7.000,- was gepind, maar dat hij daarvan slechts de op 15 februari 2024 opgenomen € 5.000,- had ontvangen, schuift de rechtbank als volstrekt ongeloofwaardig terzijde
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van aangeefster op de wijze zoals onder feit
1. ten laste is gelegd.
Feit 2: wederrechtelijke vrijheidsberoving
Zoals eerder vastgesteld verbleven verdachte en aangeefster van 15 tot en met
17 februari 2024 samen in een hotel in Rotterdam , waarna zij met de trein van Rotterdam naar [plaats] zijn afgereisd.
De rechtbank stelt vast dat aangeefster zelf op 15 februari 2024 met het openbaar vervoer naar verdachte in Rotterdam reisde en dat verdachte vervolgens tijdens hun verblijf aldaar op een aantal momenten fysiek niet in de directe nabijheid van aangeefster was, zoals bij het door haar inchecken in het hotel of op het toilet in een Surinaamse eetwinkel. Ook stelt de rechtbank vast dat de deur van de hotelkamer waar zij verbleven van binnenuit te openen was zonder pasje of sleutel en dat aangeefster, in elk geval op verschillende momenten, de beschikking had over haar eigen telefoon. Deze omstandigheden betekenen naar het oordeel van de rechtbank echter niet per definitie dat aangeefster zich ook vrij voelde om te gaan en staan waar zij wilde en evenmin dat haar die mogelijkheid door verdachte ook daadwerkelijk werd geboden.
Dat aangeefster tijdens het verblijf in Rotterdam niet weg durfde, volgt uit haar eigen verklaring, maar ook uit de telefoonberichten die zij op dat moment stuurde naar haar vader en zus. Naar haar vader stuurde aangeefster op 16 februari 2024 dat het om een noodgeval ging, dat hij niet mocht reageren op haar bericht en dat niemand met haar contact mocht opnemen. Zij droeg haar vader op te regelen dat er politie bij hun huis zou staan als zij met verdachte daar zogenaamd het geld ging ophalen. Ook met haar zus durfde aangeefster via WhatsApp kennelijk niet open te communiceren. Op 17 februari 2024 stuurde zij haar: “jij moet doen alsof je mama bent”, “via whatsapp” en “niet terugreageren hierop”.
Daarnaast blijkt uit p-v 106 dat verdachte aangeefster niet liet gaan, zolang zij het resterende geld niet aan hem betaalde. Zoals hiervoor bij feit 1 al is weergegeven, laat verdachte dit meermaals en ondubbelzinnig aan [persoon 1] en ‘ [persoon 2] ’ weten. Uit deze berichten blijkt zijn intentie klip en klaar.
Uiteindelijk verzint aangeefster dus de list, dat er bij haar thuis in [plaats] geld ligt en reizen verdachte en aangeefster samen met de trein van station Rotterdam Centraal naar station [plaats] . De camerabeelden van beide stations tonen dat verdachte, al dan niet op enige afstand, met aangeefster meeliep en haar in de gaten hield. De Snapchatberichten die verdachte tijdens deze reis naar zijn vriend [persoon 1] stuurde, bevestigen bovendien dat verdachte niet van plan was om aangeefster alleen te laten. Uit p-v 106 volgt dat hij onder meer stuurde: “Ik ben met haar. (…) Want als ik solo stuur kom ze nooit meer terug (…).” en “Ja bro, ik ga mee broer voordat die beleid via de tuin vlucht. En jij blijft spits uitkijkt.”
Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van een situatie waarbij aangeefster door het gedrag en de uitlatingen van verdachte niet in staat was om zich in het hotel alsmede tijdens de reis naar [plaats] vrij te bewegen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd op de wijze zoals onder 4.4 wordt omschreven.
Feit 3: mishandeling
Aangeefster verklaart over het incident met haar neus dat zij in november 2023 samen met verdachte in een [hotel] in Rotterdam verbleef, dat zij wilde gaan slapen, dat verdachte haar bleef aantikken, dat zij verdachte terug tikte tegen zijn nek en dat verdachte haar vervolgens tegen haar neus sloeg. De setting waarin dit volgens aangeefster plaatsvond, wordt deels bevestigd door de verklaring die verdachte zelf tijdens de zitting van
5 december 2025 heeft afgelegd. Hij verklaart dat hij samen met aangeefster de nacht van
2 op 3 november 2023 doorbracht in een hotel en dat ‘het elkaar klieren’ mogelijk is gebeurd, maar dat hij zich dit niet goed kan herinneren. Daarnaast wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door andere bewijsmiddelen. Aangeefster stuurt in een chatgesprek met haar vriendin ‘ [persoon 3] ’, waarin het gaat over haar omgang met verdachte, op
4 november 2023 om 00.17 uur de tekst: “hij heeft me geslagen ook”. Daarnaast verklaart een andere vriendin van aangeefster, genaamd [persoon 4] , dat verdachte aangeefster in november 2023 heeft geslagen toen zij aan het spelen was met hem, dat hij geïrriteerd raakte en haar toen een klap gaf.
Over het incident met haar lip verklaart aangeefster, dat verdachte haar op 18 januari 2024 op een station in Rotterdam met de hand waarin hij haar telefoon vast had een bloedlip heeft geslagen. Ook deze verklaring van aangeefster staat niet op zichzelf. Aangeefster heeft foto’s overgelegd, waarop zij is te zien met een ingescheurde en opgezwolle onderlip. Deze foto’s zijn op 18 januari 2024 gemaakt of verzonden via Snapchat. Daarnaast verklaart [persoon 4] dat aangeefster haar in januari 2024 belde nadat zij door verdachte was geslagen, dat aangeefster naar haar toe kwam en dat zij vervolgens zag dat de lip van aangeefster helemaal gebarsten was.
Gelet op de verklaring van aangeefster en de voornoemde ondersteunende bewijsmiddelen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft mishandeld door haar in de nacht van 2 op 3 november 2023 tegen haar neus en op
18 januari 2024 tegen haar lip te slaan. Anders dan de verdediging stelt, is op geen enkele wijze gebleken dat verdachte in de nacht van 2 op 3 november 2023 heeft gehandeld uit noodweer.
De rechtbank komt niet tot een bewezenverklaring van het door verdachte tegen het onderbeen van aangeefster schoppen. De enkele verklaring hierover van aangeefster en de door haar overgelegde foto waarop een blauwe plek op een onderbeen is te zien, is onvoldoende om te concluderen dat verdachte verantwoordelijk is voor dit letsel. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen die de verklaring van aangeefster op dit punt ondersteunen. Verdachte wordt van dit onderdeel vrijgesproken.