ECLI:NL:RBZWB:2026:1849

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/6165
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroeg ingesteld beroep tegen niet tijdig beslissen

Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanmaningskosten bij een naheffingsaanslag parkeerbelasting en stelde de invorderingsambtenaar in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing. De invorderingsambtenaar besloot uiteindelijk op het bezwaar en nam later een dwangsombeschikking. Belanghebbende stelde echter te vroeg beroep in tegen het niet tijdig beslissen, namelijk voordat de termijn van de ingebrekestelling was verstreken.

De rechtbank constateert dat partijen het erover eens zijn dat de invorderingsambtenaar op het bezwaar en het verzoek om een dwangsom heeft beslist en dat er geen gronden tegen deze beslissingen zijn aangevoerd. Hierdoor ontbreekt het procesbelang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen, waardoor het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.

De rechtbank oordeelt dat het beroep wegens niet tijdig beslissen op het moment van indiening al niet-ontvankelijk was omdat de ingebrekestellingstermijn nog niet was verstreken. Hierdoor bestaat geen recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard omdat het te vroeg was ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6165

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),
en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Breda, de inovrderingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de invorderingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 5 juli 2025.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Procesverloop

2. Belanghebbende heeft op 5 juli 2025 bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten bij de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] . Belanghebbende heeft op 12 september 2025 de invorderingsambtenaar in gebreke gesteld, wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.
2.1.
De invorderingsambtenaar heeft op 17 oktober 2025 op het bezwaar beslist.
Belanghebbende heeft op 24 november 2025 de invorderingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet (tijdig) nemen van een dwangsombeschikking.
2.2.
Belanghebbende heeft op 3 december 2025 beroep ingesteld. De invorderingsambtenaar heeft op 15 december 2025 een dwangsombeschikking genomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank constateert dat partijen het erover eens zijn dat de heffingsambtenaar op het bezwaarschrift en het verzoek om een dwangsom heeft beslist. De gemachtigde heeft tegen die beslissingen geen gronden aangevoerd. Het beroep is daartegen niet gericht.
3.1.
Aangezien beslissingen zijn genomen, bestaat er geen procesbelang (meer) bij het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen van een besluit. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
3.2.
Het geschil ziet alleen nog op de vraag of recht bestaat op een vergoeding van de proceskosten. Daarvoor is van belang of destijds terecht een beroep wegens niet tijdig beslissen is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat het beroep wegens niet tijdig beslissen op het moment van indiening al niet-ontvankelijk was. Er bestaat daarom geen recht op een proceskostenvergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Was het beroep niet tijdig beslissen ontvankelijk?
4. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1] Dit geldt ook voor het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking. [2]
4.1.
De rechtbank overweegt dat de invorderingsambtenaar vóór het indienen van het beroep, op 17 oktober 2025, uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Er kon dan ook geen beroep worden ingesteld wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar van 5 juli 2025. Voor zover belanghebbende beroep wenste in te stellen wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking, is belanghebbende te vroeg in beroep is gegaan. De termijn van twee weken die in de ingebrekestelling van 24 november 2025 staat, was namelijk nog niet voorbij toen belanghebbende beroep indiende.
4.2.
Het beroep was daarom op dat moment al kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank komt niet toe aan het standpunt van de heffingsambtenaar dat het beroep niet is ingediend door de belastingplichtige.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 16 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Vgl. HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:906, r.o. 2.4.3.