ECLI:NL:RBZWB:2026:1778

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
26/749 WET VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:1 AwbArt. 1:1 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid voorzieningenrechter bij verwijdering leerling door bijzondere school

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de verwijdering van haar dochter als leerling van een bijzondere school die valt onder de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs (OMO). De voorzieningenrechter oordeelt dat OMO en de school geen bestuursorgaan zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat zij privaatrechtelijke rechtspersonen zijn zonder publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van rechtsposities.

De voorzieningenrechter verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is vastgesteld dat beslissingen van bijzondere instellingen niet als besluiten in de zin van de Awb gelden, tenzij het gaat om uitoefening van openbaar gezag zoals bij het afgeven van getuigschriften. Dit is hier niet het geval.

Daarom is er geen besluit in de zin van de Awb waartegen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Dit leidt tot de conclusie dat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek om voorlopige voorziening te beslissen.

Verzoekster heeft geen griffierecht betaald en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om te beslissen over het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verwijdering van de leerling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/749

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

en

De Raad van Bestuur van Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs (OMO), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de verwijdering van haar dochter als leerling van [school].
1.1.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.

Feiten en omstandigheden

2. De dochter van verzoekster (hierna: de dochter) volgde onderwijs aan [school] in [plaats] (hierna: de school). Op 7 november 2025 is besloten tot verwijdering van de dochter als leerling van de school. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is op 24 november 2025 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld.
2.1.
Op 2 februari 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om vast te stellen dat de uitschrijving door de school zonder wettelijke grondslag heeft plaatsgevonden en te waarborgen dat haar dochter weer toegang krijgt tot passend onderwijs op haar niveau.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Zoals in de uitspraak in een eerdere procedure tussen partijen al is geoordeeld [1] , is de voorzieningenrechter niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.2.
Beroep bij de bestuursrechter kan alleen worden ingesteld tegen een besluit, zo volgt uit artikel 8:1 van Pro de Awb. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat uitgelegd wat onder een besluit wordt verstaan. Dit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. In artikel 1:1, eerste lid, van de Awb is bepaald wat onder een bestuursorgaan moet worden verstaan.
3.3.
De school is onderdeel van de [school]. Deze scholengemeenschap valt onder het gezag van OMO, een privaatrechtelijke rechtspersoon. De voorzieningenrechter stelt vast dat OMO tot doel heeft “het vormen van een onderwijsorganisatie tot het bevorderen, in stand houden en doen voortbestaan van scholen voor alle vormen van bijzonder secundair (voortgezet) onderwijs met een katholieke grondslag” [2] . De voorzieningenrechter concludeert dat de school een bijzondere school is als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020.
3.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen OMO en/of de school niet als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a (een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld), van de Awb worden aangemerkt. Ten aanzien van de vraag of OMO en/of de school een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb (b-orgaan) is, is bepalend of aan hen een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van een rechtspositie is toegekend. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 juli 2006 [3] , 11 oktober 2006 [4] en van 10 juni 2015 [5] , waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld tegen beslissingen van een bijzondere instelling. Uit de uitspraken van de Afdeling volgt dat slechts sprake is van uitoefening van openbaar gezag, indien het gaat om een verklaring van het bevoegd gezag van een bijzondere school omtrent de afgifte van een getuigschrift [6] . Daarvan is in dit geval geen sprake.
3.5.
De conclusie van het voorgaande is dat er, nu OMO en/of de school geen bestuursorgaan zijn in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb, geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Bij gebreke van een besluit in de zin van de Awb staat geen beroep bij de bestuursrechter open. Daaruit volgt dat de voorzieningenrechter onbevoegd is om over het verzoek om voorlopige voorziening te oordelen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter is kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster heeft geen griffierecht betaald. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 13 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Uitspraak van 17 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7011
2.Artikel 3 van Pro de Statuten
4.ECLI:NL:RVS: 2006:AY9914
6.Zie ook de conclusie van de AG van het parket van de Hoge Raad van 19 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:509