Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op haar bezwaar tegen de beslissing van 11 april 2024 over haar WIA-uitkering. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, aangezien het UWV de beslistermijn heeft overschreden en eiseres het UWV op 23 december 2025 in gebreke heeft gesteld.
Het UWV heeft aangegeven dat de overschrijding te wijten is aan een tekort aan verzekeringsartsen en verzocht om een beslistermijn van 30 weken. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige heroverweging mogelijk te maken, maar wijst het verzoek van het UWV voor een langere termijn af.
De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens moet het UWV het griffierecht van € 54,- en proceskosten van € 467,- aan eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 11 maart 2026.