ECLI:NL:RBZWB:2026:1602

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
C/02/441606 / FA RK 25-5704
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Oomes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toewijzing gezag, omgang en hulpverlening minderjarige

Partijen, voormalige partners, hebben een minderjarige zoon die bij de moeder verblijft. De vader verzoekt om gezamenlijk gezag en een zorgregeling, maar in deze provisionele voorziening wordt voorlopig het gezag aan de moeder toegewezen.

De rechtbank stelt een omgangsregeling vast waarbij de vader minimaal eenmaal per weekend omgang heeft met de minderjarige, waarbij de exacte dagen in onderling overleg worden vastgesteld. Tevens wordt een voorlopige kinderbijdrage van €295 per maand aan de moeder toegewezen.

Daarnaast verwijst de rechtbank partijen naar het Uniform Hulpaanbod voor een passend jeugd(hulp)verleningstraject, met als doel het bevorderen van het welzijn van de minderjarige en het ondersteunen van de ouders bij het maken van afspraken in het belang van het kind.

De rechtbank legt een termijn vast voor het indienen van een rapport over de hulpverlening en regelt de procedure voor het vervolg in de hoofdzaak. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de provisionele voorziening toe voor toewijzing gezag aan de moeder, omgang vader met de minderjarige, voorlopige kinderbijdrage en doorverwijzing naar jeugd(hulp)verlening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/441606 / FA RK 25-5704
datum uitspraak 13 februari 2026
beschikking over het treffen van een provisionele voorziening
in de zaak van
[de man],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. I.W.A.J. van Pelt,
en
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. Th. Kremers.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 5 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de man;
- de brief van mr. Kremers van 27 januari 2026;
- de brief van mr. Van Pelt van 27 januari 2026;
- de brief van de griffier van deze rechtbank van 29 januari 2026;
- de brief van mr. Van Pelt van 30 januari 2026;
- de brief van mr. Kremers van 4 februari 2026.
1.2. Bij hetzelfde verzoekschrift van 5 november 2025 is ook de hoofdzaak aanhangig gemaakt. Die zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer C/02/441602 / FA RK 25-5701. De verdere behandeling van die zaak is aangehouden in afwachting van de beslissing in deze procedure. In de hoofdzaak liggen voor de verzoeken van de man tot gezamenlijk ouderlijk gezag en vaststelling van een zorgregeling.
1.3. De mondelinge behandeling in onderhavige zaak stond gepland op 30 januari 2026. Deze mondelinge behandeling is op verzoek van partijen niet doorgegaan.

2.De feiten

2.1.
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- tijdens deze relatie is geboren het volgende, nu nog minderjarige kind:
[minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] , Zwitserland, op [geboortedag] 2019;
- [minderjarige] verblijft bij de vrouw;
- partijen en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.De verzoeken

3.1.
Bij brief van 27 januari 2026 heeft mr. Kremers namens de vrouw aangegeven dat partijen afspraken hebben gemaakt over de te treffen provisionele voorzieningen. De vrouw verzoekt nu, samengevat:
- toevertrouwing van [minderjarige] aan haar en bepaling dat hij op haar adres zal zijn ingeschreven;
- bepaling dat de man omgang heeft met [minderjarige] , in eerste instantie bij en vanuit het huis van de vrouw in [woonplaats 2] gedurende minimaal een dag per weekend, waarbij de exacte bezoekmomenten in onderling overleg zullen worden vastgesteld;
- vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] van € 295,= per maand met ingang van 1 februari 2026;
- doorverwijzing van partijen naar hulpverlening in het kader van Uniform Hulpaanbod.
De vrouw verzoekt de afspraken op te nemen in de beschikking en de zaak verder schriftelijk af te doen.
3.2.
Bij brief van 27 januari 2026 heeft mr. Van Pelt namens de man de door de vrouw weergegeven afspraken bevestigd. De man verzoekt nu, na wijziging, samengevat:
- toevertrouwing van [minderjarige] aan de vrouw;
- bepaling dat de man minimaal eenmaal per weekend omgang heeft met [minderjarige] , waarbij hij naar [woonplaats 2] afreist en partijen in onderling overleg de dag en tijden zullen vaststellen;
- bepaling dat de man met ingang van 1 februari 2026 maandelijks een bedrag van € 295,= aan de vrouw zal voldoen als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;
- doorverwijzing van partijen naar hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 223 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hangen onderhavige verzoeken tot toevertrouwing van de minderjarigen en bepaling van een voorlopige omgangsregeling samen met de verzoeken in de hoofdzaak (tot gezamenlijk gezag en vaststelling van een zorgregeling), zodat de man kan worden ontvangen in zijn (oorspronkelijke) verzoek.
Toevertrouwing
4.3.
Beide partijen verzoeken nu om toevertrouwing van [minderjarige] aan de vrouw. De vrouw verzoekt daarbij ook te bepalen dat [minderjarige] op haar adres ingeschreven zal zijn. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu partijen het hierover eens zijn en niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.
Omgangsregeling
4.4.
Beide partijen verzoeken nu om te bepalen dat de man minimaal eenmaal per weekend omgang heeft met [minderjarige] , (in eerste instantie bij en vanuit het huis van de vrouw) in [woonplaats 2] , dus waarbij de man naar [woonplaats 2] afreist en partijen in onderling overleg de dag en tijden zullen vaststellen.
4.5.
De rechtbank zal ook ten aanzien van de omgangsregeling conform de overeenstemming van partijen beslissen, als na te melden, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich daartegen verzet.
Kinderalimentatie
4.6.
Beide partijen verzoeken nu om vast te stellen dat de man met ingang van 1 februari 2026 als bijdrage in de kosten van [minderjarige] voldoet een bedrag van € 295,= per maand. De rechtbank constateert dat er in de hoofdzaak (nog) geen verzoek tot vaststelling van de kinderbijdrage voorligt. Het verzoek tot bepaling van de (voorlopige) kinderbijdrage hangt evenwel samen met de minderjarige en is ook in zijn belang. Bovendien zijn partijen het hierover eens. Dit leidt ertoe dat de rechtbank ook dit verzoek van partijen zal toewijzen.
Doorverwijzing hulpverlening
4.7.
Partijen hebben gezamenlijk de rechtbank verzocht om te worden doorverwezen naar (jeugd)hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod. Ook de rechtbank vindt het, gezien de inhoud van de stukken, voor partijen en [minderjarige] nodig dat een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. De rechtbank zal partijen en [minderjarige] dan ook doorverwijzen voor (jeugd)hulpverlening naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket stuurt het verwijzingsformulier met de resultatenlijst naar de gemeentelijke toegang. De toegang maakt samen met partijen een afspraak voor een zorgaanbieder, waarbij de rechtbank opmerkt dat voor [minderjarige] zelf er al een traject loopt bij [hulpverlening]
4.8.
Met de inzet van passende (jeugd)hulpverlening zullen partijen in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor [minderjarige] ;
- [minderjarige] heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en
gesteund;
- de ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van [minderjarige]
(lichte interventie);
- [minderjarige] en de ouders hebben onbelast contact met elkaar.
De resultaten heeft de rechtbank vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd.
4.9.
Na afloop van de (jeugd)hulpverlening maakt de zorgaanbieder een rapport op over het verloop en het resultaat van de hulpverlening. Ook de toegang maakt een rapport op. In dit rapport wordt het rapport van de zorgaanbieder als bijlage toegevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om het volledige rapport uiterlijk op
4 augustus 2026,
of zoveel eerder als mogelijk is, in te brengen in de hoofdzaak met zaaknummer C/02/441602 / FA RK 25-5701.
4.10.
Als de hulpverlening heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid binnen twee weken na ontvangst van het rapport aan te geven of een mondelinge behandeling in de hoofdzaak nodig is. Ook maken de advocaten in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .
4.11.
Als de hulpverlening niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket het volledige rapport ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank in de hoofdzaak binnen twee weken na ontvangst van het rapport of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.12.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van het rapport direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om aan te geven wat zij van dit advies vinden en hoe de procedure verder moet gaan.
4.13.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen voor de beantwoording van de volgende vragen:
- bestaat er, bij toewijzing / handhaving van het gezag aan/van de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarige te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- welke omgangs-/zorgregeling komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- zijn er tijdens het onderzoek nog andere feiten/omstandigheden naar voren gekomen die van belang zijn?
4.14.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op het rapport van de Raad te reageren.
4.15.
Verder heeft de rechtbank partijen geïnformeerd over de privacyaspecten van de doorverwijzing. Partijen hebben met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat aan de vrouw wordt toevertrouwd en op haar adres zal zijn ingeschreven de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] , Zwitserland;
5.2.
bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar minimaal eenmaal per weekend, (in eerste instantie bij en vanuit het huis van de vrouw) in [woonplaats 2] , dus waarbij de man naar [woonplaats 2] afreist en partijen in onderling overleg de dag en tijden zullen vaststellen;
5.3.
bepaalt bij wege van provisionele, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat de man als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 februari 2026 aan de vrouw moet voldoen een bedrag van € 295,= (tweehonderdvijfennegentig euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
5.4.
verwijst partijen en [minderjarige] voor een (jeugd)hulpverleningstraject voor de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio
West-Brabant-Oost. Het loket zal partijen en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.5.
verzoekt het loket om uiterlijk op
pro forma datum 4 augustus 2026, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hoofdzaak met zaaknummer C/02/441602 / FA RK 25-5701 het rapport over het verloop en de resultaten van de (jeugd)hulpverlening bij de griffie van de rechtbank in te dienen onder gelijktijdige toezending aan (de advocaten van) partijen;
5.6.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, het rapport ook direct toe te sturen aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
5.7.
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van het rapport de rechtbank te informeren in de hoofdzaak of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.8.
verzoekt de Raad, indien hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten, een onderzoek in te stellen voor de beantwoording van de in rechtsoverweging 4.13. genoemde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.9.
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht in de hoofdzaak bij de rechtbank in te dienen;
5.10.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.11.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.