Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar door de Dienst Toeslagen, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 6 maart 2025 verweerder een beslistermijn had opgelegd.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. De rechtbank sluit aan bij de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn hanteert. In dit geval is die termijn al verstreken, zodat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak moet beslissen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €250 per dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €37.500. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt op 6 maart 2026 door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.