ECLI:NL:RBZWB:2026:1444
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing te late aanvraag zorgtoeslag over 2020 en 2021 conform dwingende termijn
Eiser diende op 22 maart 2024 een aanvraag in voor zorgtoeslag over de jaren 2020 en 2021, terwijl de uiterste indieningstermijnen respectievelijk 1 september 2021 en 1 september 2022 waren. Dienst Toeslagen wees de aanvraag af wegens te late indiening. Eiser maakte bezwaar, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege te late indiening, maar later alsnog ontvankelijk werd verklaard. De inhoudelijke afwijzing bleef gehandhaafd.
Eiser voerde aan dat hij in België verbleef en niet op de hoogte was van de Nederlandse regels, en dat uitzonderingen voor personen in het buitenland zouden moeten gelden. Ook wees hij op zijn lage inkomen en betaalde zorgkosten voor zijn partner. De rechtbank overwoog dat de Awir een dwingende termijn stelt voor het indienen van aanvragen en dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een harde grens zonder ruimte voor afwijking.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die bevestigt dat ook voor Nederlanders in het buitenland geen uitzondering geldt. Onbekendheid met de regels is voor risico van de aanvrager. Er is geen sprake van een door de overheid gemaakte fout die compensatie rechtvaardigt.
De rechtbank concludeerde dat Dienst Toeslagen de aanvraag terecht heeft afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de te late aanvraag zorgtoeslag over 2020 en 2021.