ECLI:NL:RBZWB:2026:14

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
24/5526
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake afwijzing verzoek om jeugdhulp voor een kind met ontwikkelingsproblematiek

Op 5 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een tussenuitspraak gedaan in de zaak tussen eiseres, de moeder van een kind met ontwikkelingsproblematiek, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom. Eiseres had een verzoek ingediend om haar zoon extra ondersteuning te bieden op de peutergroep van een kinderdagverblijf, maar dit verzoek werd door het college afgewezen. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de afwijzing van het verzoek om jeugdhulp, dat is ingediend op grond van de Jeugdwet. De rechtbank constateert dat het college in zijn besluitvorming niet heeft gehandeld conform het stappenplan dat is voorgeschreven door de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Het college heeft zich beperkt tot een conclusie dat de gevraagde maatwerkvoorziening ongeschikt is, zonder eerst de concrete hulpvraag en de problemen van de zoon van eiseres in kaart te brengen. De rechtbank oordeelt dat het college zijn beoordeling niet zorgvuldig heeft uitgevoerd en dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank stelt het college in de gelegenheid om het gebrek in het besluit te herstellen, met inachtneming van de overwegingen in deze tussenuitspraak. Eiseres heeft voldoende procesbelang aangetoond, omdat zij kosten heeft gemaakt voor extra jeugdhulp na de afwijzing van haar verzoek. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5526 JW

tussenuitspraak van 5 januari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom(het college), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een besluit van het college over de afwijzing van haar verzoek om een voorziening op grond van de Jeugdwet (Jw).
1.1.
Het college heeft in een besluit van 8 januari 2024 (primair besluit) het verzoek van eiseres afgewezen om haar [zoon] een dagdeel op de peutergroep van [kinderdagverblijf] ([kinderdagverblijf]) te laten blijven met extra ondersteuning van [ondersteuner].
1.2.
Het college heeft in het bestreden besluit van 21 mei 2024 de bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Het college heeft op het beroep van eiseres gereageerd middels een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen. Het college werd vertegenwoordigd door [naam].

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden
2. [zoon], geboren in de [maand] van 2021, heeft extra ondersteuning nodig om zich goed te ontwikkelen. De huisarts heeft [zoon] vanwege gedragsproblemen en een vermoeden van ontwikkelingsproblematiek doorverwezen naar GGZ Westelijk Noord-Brabant (GGZ), waar hij op 4 januari 2023 als patiënt is aangemeld. Op diezelfde datum heeft eiseres een verzoek om jeugdhulp ingediend. Het college heeft daarop de gebruikelijke stappen doorlopen en jeugdhulp toegekend. [zoon] is in samenspraak met het CJG, SDW en de kinderopvang geplaatst op de wachtlijst voor [kinderdagcentrum], in combinatie met [traject] ouder-kindbehandeling. Dit is in de maand februari van 2023 vastgelegd in een gezinsplan.
In afwachting van plaatsing bij [kinderdagcentrum] heeft het college besloten dat [zoon] op [kinderdagverblijf], waar hij de peuterspeelzaal bezocht, extra ondersteuning zou krijgen via [ondersteuner]. Na de zomervakantie van 2023 is [zoon] gestart bij [kinderdagcentrum]. Omdat hij nog niet alle drie de dagen bij [kinderdagcentrum] terecht kon, is de inzet bij [kinderdagverblijf] tijdelijk voortgezet, mede om hem geleidelijk te laten wennen. In december 2023 heeft eiseres het college verzocht om [zoon] – naast het verblijf bij [kinderdagcentrum] – één dagdeel per week op de peutergroep van [kinderdagverblijf] te laten blijven, met extra ondersteuning van [ondersteuner]. Dit verzoek is in de bestreden besluitvorming afgewezen.
Vanaf januari 2024 is [zoon] drie dagen per week naar [kinderdagcentrum] gegaan, maar niet meer naar [kinderdagverblijf] bij gebrek aan de daarvoor vereiste persoonlijke begeleiding. [kinderdagverblijf] heeft wel een plaats voor hem vrijgehouden. Toen eiseres zelf andere begeleiding had gevonden, heeft hij kunnen terugkeren voor een dag per week vanaf april 2024 tot en met februari 2025. In november 2024 heeft het college met ingang van januari 2025 vier dagen per week ondersteuning van [kinderdagcentrum] toegekend. Inmiddels gaat [zoon] vier dagen per week naar een andere school.
Standpunt van het college
3. Volgens het college heeft hij het verzoek van eiseres terecht afgewezen. Daarbij stelt het college dat steeds het uitgangspunt is geweest dat [zoon] zou worden geplaatst bij [kinderdagcentrum]. Aanvankelijk ging [zoon] daar twee dagen per week heen. Tijdens deze plaatsing bleek dat hij veel begeleiding nodig heeft en dat het goed zou zijn wanneer hij de drie volle dagen daar zou komen, zodat hij intensief begeleid kan worden. [kinderdagcentrum] achtte het bovendien te belastend voor [zoon] om opvang te krijgen op twee locaties met verschillende structuren. Ook [kinderdagverblijf] achtte deze combinatie onwenselijk en signaleerde dat het daar niet goed ging met [zoon]. Het college wijst er verder op dat met eiseres eerder is besproken dat het verblijf bij [kinderdagverblijf], met inzet van [ondersteuner], tijdelijk van aard was en zou worden gevolgd door plaatsing bij [kinderdagcentrum], zodat zij met dit tijdelijke karakter bekend was.
De beroepsgronden van eiseres
4. Volgens eiseres is haar verzoek om [zoon] een dagdeel op de peutergroep van [kinderdagverblijf] te laten blijven met extra ondersteuning van [ondersteuner] ten onrechte afgewezen. Zij stelt dat het college ten onrechte steeds terugverwijst naar gesprekken met betrokkenen, voortgangsrapportages en evaluatiegesprekken waaruit wordt geconcludeerd dat unaniem is besloten dat het voor [zoon] te belastend is om zowel naar [kinderdagcentrum] als [kinderdagverblijf] te gaan. Volgens eiseres gaat het hierbij om onjuiste informatie die afkomstig is uit één dossier, opgesteld door de betrokken jeugdprofessional van het college. Zij stelt ten slotte dat de jeugdprofessional in een eerder stadium anders heeft verklaard.
Relevante wet- en regelgeving
5. De relevante wet- en regelgeving in deze zaak is opgenomen in een bijlage, die is gehecht aan deze uitspraak.
Is sprake van voldoende procesbelang in deze zaak?
6. Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een aanspraak die ziet op een reeds verstreken periode, tenzij aannemelijk is dat schade is geleden dan wel een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1196).
7. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar procesbelang aangevoerd dat zij extra jeughulp heeft ingekocht na de bestreden besluitvorming ter vervanging van de geweigerde jeugdhulp in de vorm van persoonlijke begeleiding bij [kinderdagverblijf]. Zij heeft ter onderbouwing hiervan facturen overgelegd over de periode van april tot en met december 2024. Het college heeft ook niet betwist dat eiseres kosten heeft gemaakt voor de door haar ingekochte begeleiding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarom voldoende aannemelijk gemaakt dat zij kosten heeft gemaakt voor extra jeugdhulp, en heeft zij (nog altijd) belang bij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit. De rechtbank acht daarom voldoende procesbelang aanwezig.
Is het vertrouwensbeginsel geschonden?
8. De stelling van eiseres dat de jeugdprofessional van h,et college in een eerder stadium anders heeft verklaard vat de rechtbank op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep hierop is volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juli 2023, ECLI:NL:CRVB: 2023:1321) vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat door een bestuursorgaan toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.
9. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling gewezen op de inhoud van een WhatsAppgesprek van 13 november 2023 met de jeugdprofessional. Uit de door eiseres overgelegde weergave (printscreen) van dit gesprek blijkt dat de jeugdprofessional heeft gesteld dat [zoon] drie dagen naar [kinderdagcentrum] gaat, en dat hij eventueel (“evt”) nog voor een keer begeleiding op het kinderdagverblijf zou kunnen krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit – onder andere door het gebruik van het woordje “evt” – geen concrete, ondubbelzinnige toezegging waaruit eiseres onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht afleiden dat het college zou overgaan tot toekenning van de door haar gewenste jeugdhulp. Evenmin is gebleken dat er andere toezeggingen of uitlatingen zijn gedaan waaruit eiseres dat wel heeft mogen afleiden. Het beroep op het vertouwensbeginsel slaagt dus niet.
Heeft het college voldoende zorgvuldig onderzoek verricht?
10. De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beoordeling van meldingen op grond van de Wmo 2015 en aanvragen op grond van de Jw moet handelen conform het stappenplan zoals neergelegd in de uitspraken van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Het stappenplan houdt een aantal vragen in aan de hand waarvan beoordeeld wordt of de aanvrager recht heeft op een voorziening. De eerste vraag die volgens het stappenplan beantwoord moet worden is welke hulpvraag de betrokkene heeft (stap 1). Vervolgens moet het college vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel bij het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Pas als die problemen voldoende in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsaanvrager, of bij het zich handhaven in de samenleving (stap 3). Vervolgens moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, moet het college een maatwerkvoorziening te verlenen (stap 5). Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp, specifieke deskundigheid vereist, zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De vorenbedoelde verschillende stappen in het onderzoek vragen op die stappen aangepaste deskundigheid. Het college moet ervoor zorgdragen dat de deskundigheid is gewaarborgd en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.
11. Het college heeft ter zitting met betrekking tot de zorgvuldigheid van het door hem verrichte onderzoek aangevoerd dat de door eiseres gewenste voorziening in de vorm van opvang bij [kinderdagverblijf] in combinatie met persoonlijke begeleiding – naast het verblijf bij [kinderdagcentrum] – geen oplossing is die past binnen het kader van de Jw, en dat het daarbij slechts gaat om een tijdelijke overbruggingsmaatregel. Daarmee miskent het college echter dat de door eiseres gevraagde persoonlijke begeleiding voor [zoon] ten behoeve van een verblijf bij [kinderdagverblijf] moet worden aangemerkt als jeugdhulp op grond van de Jw en dat het verzoek van eiseres moet worden gekwalificeerd als een nieuwe hulpvraag. Het college heeft dit verzoek met de bestreden besluitvorming overigens zelf ook als zodanig opgevat, omdat de aanvraag daarin inhoudelijk is beoordeeld en afgewezen.
12. De rechtbank stelt vast dat het college zijn beoordeling niet heeft verricht overeenkomstig het door de CRvB voorgeschreven stappenplan. Het college heeft zich in essentie beperkt tot stap 5, door enkel te concluderen dat de door eiseres gewenste maatwerkvoorziening ongeschikt is, omdat deze niet zou aansluiten bij de ontwikkelingsdoelen van [zoon]. Het college heeft echter nagelaten eerst vast te stellen welke concrete hulpvraag aan de orde was (stap 1) en welke problemen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie bij [zoon] zijn vastgesteld (stap 2). Evenmin blijkt dat is onderzocht welke ondersteuning naar aard en omvang nodig was, dan wel in hoeverre de eigen mogelijkheden van de ouders of het sociale netwerk toereikend waren (stappen 3 en 4). Uit de beschikbare informatie volgt dat het college zich geen zelfstandig oordeel heeft gevormd over de ontwikkelingsproblematiek van [zoon] en de gevolgen van het bestreden besluit, maar heeft volstaan met verwijzingen naar gesprekken, voortgangsrapportages en evaluaties, waaruit volgens het college zou blijken dat unaniem is besloten dat een combinatie van verblijf bij [kinderdagcentrum] en [kinderdagverblijf] te belastend is voor [zoon].
13. Voor zover het college een onderzoek heeft uitgevoerd, is dat bovendien onzorgvuldig gedaan. Het college baseert zich slechts op de verslaglegging van de zorgprofessional, terwijl de inhoud daarvan gemotiveerd wordt betwist door eiseres. Zo zou de eigenaresse van [ondersteuner] aan eiseres hebben verklaard dat zij hierover geen contact heeft gehad met de zorgprofessional. Verder heeft de zorgprofessional evenmin gesproken met [zoon] begeleiders, terwijl dit wel voor de hand had gelegen. De door het college in het bestreden besluit genoemde omstandigheid dat deze begeleiders ten tijde van het onderzoek niet langer werkzaam waren bij [ondersteuner], doet hier niet aan af. Ook de door het college gestelde afstemming met [kinderdagverblijf] roept vragen op, nu [kinderdagverblijf] in de eerste drie maanden van 2024 een plek voor [zoon] beschikbaar heeft gehouden en kennelijk heeft ingestemd met voortzetting van de gecombineerde opvang (weliswaar, noodgedwongen, met een onderbreking).
14. Zelfs indien de weergave in de voortgangsrapportage van de adviezen van de betrokken instellingen juist zou zijn, heeft het college niet gemotiveerd waarom het daar zonder eigen nader onderzoek op mocht afgaan. Gelet op de aard van de problematiek en de ingrijpende gevolgen van de besluitvorming voor de ontwikkeling van [zoon], had van het college mogen worden verwacht dat het een zelfstandig onderzoek verrichtte en een onafhankelijk deskundige raadpleegde, dan wel inzichtelijk maakte waarom dit niet noodzakelijk was. In dit verband wijst de rechtbank (nogmaals) op het stappenplan van de CRvB alsmede op artikel 9 van de Verordening jeugdhulp gemeente [plaats] 2019, waarin is voorgeschreven dat een specifiek deskundig oordeel wordt ingewonnen als de beoordeling van een aanvraag daartoe aanleiding geeft.
15. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen om een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het college in de gelegenheid stellen om opnieuw een onderzoek te doen naar de aanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak en te rapporteren welke gevolgen dit heeft voor de aanspraak van eiseres op jeugdhulp. De rechtbank zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.
17. De rechtbank zal geen termijn stellen waarbinnen het college het gebrek kan herstellen, zodat het college de zorgvuldigheid van het onderzoek kan waarborgen. Als het college geen gebruik wil maken van de geboden gelegenheid tot herstel, dan dient het dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als het college wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.
18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- stelt het college in de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen;
- draagt het college op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 5 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Jeugdwet
Artikel 2.3
1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
a. gezond en veilig op te groeien;
b. te groeien naar zelfstandigheid, en
c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
Verordening van de Gemeenteraad van Bergen op Zoom houdende Verordening jeugdhulp gemeente Bergen op Zoom 2019
Artikel 5 Onderzoek en gesprek
1. Het college onderzoekt zo spoedig mogelijk in een gesprek tussen de jeugdhulpprofessional en de jeugdige en/of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger:
a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en/of zijn ouders, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;
b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
c. welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
d. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden;
e. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg.
f. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en
g. indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.
(…)
Artikel 9 Deskundig oordeel en advies
Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.