ECLI:NL:RBZWB:2026:1390

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
12060646 VV EXPL 26-6 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 7:671 lid 1 BWArt. 7:671 lid 2 BWArtikel 21 lid 1 Verordening (EU) nr. 1215/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing loonvordering wegens niet-ontvangen loon na betwiste beëindiging arbeidsovereenkomst

In deze zaak vordert de werknemer betaling van achterstallig loon en vakantiegeld over de periode tot en met 31 december 2025, nadat de werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst per 12 december 2025 met wederzijds goedvinden was beëindigd. De werknemer werkte niet meer vanaf die datum en betwistte de rechtsgeldigheid van het ontslag.

De kantonrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. De werkgever kon niet aantonen dat de beëindiging rechtsgeldig was, omdat schriftelijke instemming van de werknemer ontbrak en de werknemer tijdig terugkwam op haar vermeende instemming. Ook was er geen duidelijke en ondubbelzinnige opzegging door de werknemer.

Daarom is de arbeidsovereenkomst naar voorlopig oordeel niet per 12 december 2025 geëindigd en is de werkgever loon verschuldigd tot en met 31 december 2025. De gevorderde loonbetaling, vakantiegeld, wettelijke verhoging en rente worden toegewezen. De vordering tot betaling van niet-genoten vakantiedagen wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: De loonvordering wordt toegewezen omdat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig per 12 december 2025 is beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12060646 \ VV EXPL 26-6
Vonnis in kort geding van 17 februari 2026
in de zaak van
[werknemer],
wonende te (Spanje),
eisende partij, procederend met toevoegingsnummer [nummer] ,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
de besloten vennootschap [werkgever] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
procederend in persoon, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .

1.De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om een vordering van [werknemer] tot betaling van loon door [werkgever] . [werkgever] beroept zich erop dat de arbeidsovereenkomst op 12 december 2025 is beëindigd met wederzijds goedvinden en er vanaf dan geen loon meer verschuldigd is. De kantonrechter is van oordeel dat een rechtsgeldige beëindiging vooralsnog niet is gebleken en wijst de loonvordering toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 januari 2026 met producties;
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

3.De feiten

3.1.
Per 1 oktober 2025 is [werknemer] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, tot en met 31 december 2025, bij [werkgever] in dienst getreden als medewerkster bediening voor minimaal 0 uren en maximaal 6 uren per week. Partijen zijn een uurtarief van € 14,06 bruto te vermeerderen met 8% vakantiebijslag overeengekomen.
3.2.
Op 12 december 2025 heeft de heer [vertegenwoordiger] namens [werkgever] in een telefoongesprek met [werknemer] een discussie gehad en daarbij is gesproken over beëindiging van de arbeidsovereenkomst per direct.
3.3.
Per Whatsapp bericht van 12 december 2025 om 22.20 uur heeft [werknemer] (vertaald) aan [werkgever] medegedeeld:
“(…) ik verzoek u mij de officiële ontslagbrief schriftelijk te sturen, evenals het volledige eindloon, inclusief het salaris tot en met de laatste dag, de niet-opgenomen vakantie, de openstaande bedragen en eventuele andere openstaande bedragen volgens mijn contract.
Ik zou het ook op prijs stellen als u mij de exacte betaaldatum doorgeeft. Dank u wel.”
3.4.
Vanaf 12 december 2025 heeft [werknemer] geen werkzaamheden meer verricht bij [werkgever] .
3.5.
Bij brief van 19 december 2025 heeft de gemachtigde van [werknemer] aan [werkgever] medegedeeld dat [werknemer] ten onrechte is ontslagen, de reden daarvan niet bekend is en het ontslag niet schriftelijk is bevestigd. Namens [werknemer] is aanspraak gemaakt op loon.
3.6.
Als reactie heeft [werkgever] per e-mail van 13 januari 2026 aan de gemachtigde van [werknemer] medegedeeld dat [werknemer] ervan op de hoogte is dat zij ontslagen zou worden en dit volgt uit de Whatsapp correspondentie. [werkgever] heeft daarbij een verzonden brief van 12 december 2025 gevoegd waarin zij directe opzegging door [werknemer] per 12 december 2025 bevestigt.
3.7.
Bij e-mail van 14 januari 2026 heeft de gemachtigde van [werknemer] aan [werkgever] ontkent dat [werknemer] ontslag heeft genomen en medegedeeld dat het ontslag vanuit [werkgever] is gekomen. Daarnaast is medegedeeld dat de brief van 12 december 2025 [werknemer] nooit eerder heeft bereikt.

4.Het geschil

4.1.
[werknemer] vordert – samengevat – dat [werkgever] wordt veroordeeld om aan haar:
I. te betalen:
a. het achterstallige loon van de maand december 2025 ter hoogte van primair € 2.619,85 bruto per maand (op basis van gemiddeld gewerkte uren per week), subsidiair € 2.544,54 bruto per maand (op basis van de loonstroken),
b. de door haar opgebouwde vakantietoeslag over de periode van 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2025;
c. de niet-genoten vakantiedagen, onderbouwd met een specificatie van de opbouw van deze vakantiedagen;
II. te betalen over de bedragen onder I de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;
III. te verstrekken een correcte en gespecificeerde salarisspecificatie over de periode december 2025 binnen 2 weken na betekening van het te wijzen vonnis;
IV. te verstrekken een volledige en inzichtelijke eindafrekening, binnen 2 weken na betekening van het te wijzen vonnis;
V. te betalen de kosten van de procedure.
4.2.
[werknemer] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [werknemer] was tot en met 31 december 2025 bij [werkgever] in dienst, zij was beschikbaar en heeft daarom recht op loondoorbetaling tot en met 31 december 2025. [werknemer] heeft een spoedeisend belang bij de vorderingen omdat haar vaste lasten doorlopen en zij door niet betaling van het loon in financiële problemen is geraakt.
4.3.
[werkgever] betwist de vorderingen. Daartoe voert [werkgever] het volgende aan. [werknemer] werkte niet naar behoren en op 12 december 2025 was er ruzie over een bestelcomputer die zij in de avond achter had gelaten. Telefonisch is afgesproken niet meer verder te gaan met elkaar. Daarom heeft [werknemer] alleen nog recht op betaling van loon tot 12 december 2025. Vanwege financiële problemen is het voor [werkgever] ook niet mogelijk om meer te betalen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
[werknemer] is woonachtig in Spanje, waardoor sprake is van een internationaal geschil. De kantonrechter moet daarom ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is de zaak te behandelen en welk recht op de overeenkomst van toepassing is.
5.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van de vordering op grond van artikel 21 lid 1 van Pro Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-herschikt) omdat [werkgever] gevestigd is in Nederland.
5.3.
Daarnaast is Nederlands recht van toepassing op het geschil. Dit omdat in artikel 11.4 van de arbeidsovereenkomst een rechtskeuze is gedaan voor Nederlands recht (artikel 8 lid 1 jo Pro. artikel 3 lid 1 van Pro Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I-verordening).
Toetsingskader
5.4.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [werknemer] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vordering in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.
Spoedeisend belang
5.5.
De vordering van [werknemer] betreft loon en is naar zijn aard spoedeisend. [werkgever] heeft het spoedeisend belang van [werknemer] overigens ook niet betwist.
Recht op loon?
5.6.
Partijen geven een verschillende lezing over het gesprek van 12 december 2025 en of daarin door [werkgever] per direct is opgezegd, zoals [werknemer] stelt, of dat er sprake is van beëindiging per direct door opzegging en instemming van de wederpartij daarmee, zoals [werkgever] stelt.
5.7.
De kantonrechter stelt voorop dat in Nederland het wettelijk stelsel van ontslagrecht geldt. Dat brengt mee dat het in beginsel niet mogelijk is om een einde te maken aan een arbeidsovereenkomst buiten de in de wet geregelde arbeidsrechtelijke vormen van ontslag of beëindiging van de arbeidsovereenkomst door opzegging en instemming van de wederpartij daarmee.
5.8.
Voornoemd wettelijk stelsel betekent dat een eventuele opzegging door [werkgever] per direct geen rechtsgevolgen heeft omdat geen sprake is van toestemming van het UWV of opzegging wegens een dringende reden. Blijft daarom over de vraag of er door opzegging en instemming van de wederpartij daarmee sprake is van een beëindiging.
Opzegging door [werkgever] waarmee is ingestemd?
5.9.
Voor zover [werkgever] heeft opgezegd per 12 december 2025 geldt dat de instemming van [werknemer] daarmee op grond van de wet schriftelijk dient te zijn. [1] Die schriftelijke instemming per direct blijkt onvoldoende uit het Whatsappbericht van [werknemer] van 12 december 2025. [werknemer] kan in dat bericht met haar verzoeken om “een officiële ontslagbrief” en “het volledige eindloon” namelijk ook een beëindiging per 31 december 2025 bedoeld hebben. Maar zelfs als het Whatsapp bericht van 12 december 2025 opgevat wordt als een schriftelijke instemming, geldt dat [werknemer] na die instemming op grond van de wet de gelegenheid had om daar binnen 14 dagen op terug te komen. [2] De brief van de gemachtigde van [werknemer] van 19 december 2025 – waarin een beroep wordt gedaan op onterecht ontslag – kan worden beschouwd als het tijdig terugkomen op instemming. De stelling van [werkgever] dat zij de brief van 19 december 2025 pas in januari 2026 heeft gezien omdat die in de spamfilter terecht was gekomen, komt voor rekening van [werkgever] . Een opzegging door [werkgever] leidt dan ook niet tot een rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst.
Opzegging door [werknemer] waarmee is ingestemd?
5.10.
Voor zover [werknemer] heeft opgezegd per 12 december 2025, geldt op grond van vaste rechtspraak dat een werkgever niet snel zal mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer gericht op beëindiging van de dienstbetrekking in overeenstemming is met zijn werkelijke wil. Het moet gaan om een duidelijke en ondubbelzinnig mededeling die geen ruimte laat voor twijfel. Als er voor de werkgever reden is om te twijfelen aan de met de verklaring overeenstemmende wil van de werknemer, rust op de werkgever een onderzoeksplicht en de verplichting om de werknemer over de mogelijke gevolgen van de opzegging voor te lichten. [3]
5.11.
De kantonrechter is op grond van hetgeen onder 5.9 is overwogen van oordeel dat uit het Whatsappbericht van [werknemer] van 12 december 2025 geen duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van haar volgt dat zij de arbeidsovereenkomst per direct wilde opzeggen. [werkgever] had daarom reden er aan te twijfelen of de wil en verklaring van [werknemer] overeenstemden met elkaar en daarom had [werkgever] moeten onderzoeken of [werknemer] de arbeidsovereenkomst wel echt per direct wilde beëindigen. Niet gesteld of gebleken is dat [werkgever] een dergelijk onderzoek heeft gedaan. Daarom kan niet worden uitgegaan van een rechtsgeldige opzegging door [werknemer] .
5.12.
Het voorgaande leidt ertoe dat voorshands niet aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst per 12 december 2025 is geëindigd. Dit betekent dat [werkgever] het loon verschuldigd is tot en met 31 december 2025. De door [werkgever] gestelde financiële problemen kunnen niet afdoen aan de verschuldigdheid van het loon. [werknemer] gaat voor wat betreft de maand december 2025, gezien de gemiddeld gewerkte uren van oktober 2025 en november 2025, uit van een gemiddelde werkweek van 43 uur wat neerkomt op € 2.619,85 bruto. [werkgever] heeft deze gemiddelde uren niet betwist. Het gevorderde bedrag van € 2.619,85 bruto aan loon over de maand december 2025 zal daarom worden toegewezen.
Vakantiegeld
5.13.
Het opgebouwde vakantiegeld over het loon over de periode van 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2025 zal ook worden toegewezen.
Vakantiedagen
5.14.
[werknemer] vordert daarnaast betaling van niet-genoten vakantiedagen. Ter zitting heeft de gemachtigde van [werknemer] gesteld dat [werknemer] recht heeft op zeven vakantiedagen. [werkgever] betwist dit en heeft aangegeven dat er recht is op 6 dagen.
5.15.
De kantonrechter is van oordeel dat het op de weg van [werknemer] had gelegen om te berekenen op welk te betalen bedrag de niet-genoten vakantiedagen uitkomen. De CAO voor het horeca- en aanverwante bedrijf (die in de arbeidsovereenkomst van toepassing is verklaard) gaat namelijk niet uit van dagen, maar van vakantie-uren. [werknemer] heeft de vordering niet met een berekening inzichtelijk gemaakt, waardoor deze vordering als onvoldoende onderbouwd wordt afgewezen. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat de afwijzing niet betekent dat [werkgever] de vakantie-uren niet hoeft uit te betalen; hiertoe is zij vanzelfsprekend nog wel gehouden.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
5.16.
De gevorderde wettelijke verhoging zal worden toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter aanleiding ziet deze te matigen tot 10%. De gevorderde wettelijke rente zal over het loon en de vakantietoeslag worden toegewezen vanaf 1 januari 2026.
Verstrekking loonstroken en eindafrekening
5.17.
De vordering tot verstrekking van de loonstrook over december 2025 en de eindafrekening zal ook worden toegewezen.
Proceskosten
5.18.
[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [werknemer] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [werkgever] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
Totaal
814,00

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen:
een bedrag van € 2.619,85 bruto aan loon over de maand december 2025,
het opgebouwde vakantiegeld over het loon over de periode van 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2025,
de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over a en b van 10%;
e wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over a en b vanaf 1 januari 2026 tot de dag van volledige betaling.
6.2.
veroordeelt [werkgever] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [werknemer] te verstrekken een gespecificeerde loonstrook over december 2025 en een volledige en inzichtelijke eindafrekening,
6.3.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:671 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)
2.artikel 7:671 lid 2 BW Pro
3.bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 25 juni 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2138, rechtsoverweging. 3.4.1