ECLI:NL:RBZWB:2026:1334

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
24/5272
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11, derde lid Algemene wet inzake rijksbelastingenartikel 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroepen tegen aanslagen inkomstenbelasting en Zvw 2020-2021

Belanghebbende voerde beroep aan tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de aanslagen Zorgverzekeringswet (Zvw) voor de jaren 2020 en 2021. De inspecteur had de aanslagen opgelegd waarbij correcties waren aangebracht op de door belanghebbende opgegeven bijzondere waardeverminderingen en waardeveranderingen van vorderingen.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen de aanslag Zvw 2020 terecht niet-ontvankelijk was verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Verder werd vastgesteld dat belanghebbende weliswaar een onderneming in Nederland drijft, maar niet aannemelijk had gemaakt dat de opgevoerde kosten en waardeverminderingen toerekenbaar waren aan de Nederlandse activiteiten. Hierdoor waren de correcties van de inspecteur terecht.

Belanghebbende stelde dat de aanslag IB/PVV 2021 onredelijk en disproportioneel was en dat de inspecteur vooringenomen had gehandeld, maar de rechtbank vond geen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Ook het beroep tegen de belastingrente werd verworpen omdat de aanslagen tijdig waren opgelegd en het proportionaliteitsbeginsel niet werd geschonden.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en liet de aanslagen en belastingrentebeschikkingen in stand. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 en 2021 worden ongegrond verklaard en de aanslagen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/5272, 24/5273, 25/2278 en 25/2284

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 14 mei 2024 en 26 maart 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2020 en 2021 de volgende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), inkomensafhankelijke bijdragen voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) en belastingrentebeschikkingen gegeven:
Soort
Zaaknummer
Belastbaar inkomen uit werk en woning
Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Belastingrente
2020
IB/PVV
24/5272
€ 5.092
- € 2.547
nihil
2021
IB/PVV
25/2278
€ 69.542
€ 6.136
€ 3.737
Jaar
Soort
Zaaknummer
Bijdrage-inkomen Zvw
Bijdrage Zvw
Belastingrente
2020
Zvw
24/5273
nihil
nihil
nihil
2021
Zvw
25/2284
€ 58.311
€ 3.352
€ 481
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2020 en 2021 en de aanslag Zvw 2021 ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag Zvw 2020
niet-ontvankelijk verklaard, wegens het ontbreken van procesbelang.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben digitaal deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur,
mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt eerst of het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag Zvw 2020 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Daarna beoordeelt de rechtbank of de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020, de aanslag IB/PVV 2021, de aanslag Zvw 2021 en de belastingrentebeschikkingen niet tot te hoge bedragen heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaar tegen de aanslag Zvw 2020 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft de inspecteur de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2021, de aanslag IB/PVV 2020 en de belastingrentebeschikkingen niet naar te hoge bedragen vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Feiten

3. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit.
3.1.
Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV en Zvw voor de onderhavige jaren aangegeven dat hij een onderneming drijft onder de naam [bedrijf 1] .
Belastingjaar 2020
3.2.
Belanghebbende heeft op 30 juni 2021 als buitenlandse belastingplichtige aangifte IB/PVV en Zvw voor het jaar 2020 gedaan, waarbij vermeld is dat hij in Duitsland woont. Het verlies uit werk en woning bedraagt volgens de aangifte € 170.261 en bestaat volledig uit verlies uit onderneming. Daarbij heeft belanghebbende ‘een bijzondere waardevermindering van vlottende activa’ in aanmerking is genomen van € 203.898.
3.3.
Met dagtekening 11 oktober 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een informatieverzoek gestuurd met betrekking de activiteiten van [bedrijf 1] en de aangegeven bijzondere waardevermindering van vlottende activa van € 203.898.
3.4.
Bij e-mailbericht van 2 augustus 2022 heeft belanghebbende gereageerd op de vragen van de inspecteur. In dat e-mailbericht staat – voor zover relevant – het volgende:
“In principe zijn er twee onderdelen het eerste het geven van advies aan internationale ondernemingen tegen een tarief (al dan niet met discount, collor, cap of tegen een fixed price). Het tweede, en voor mij belangrijkste onderdeel, het tot een financial close brengen van deals op een no win no fee basis voor een uitbetaling bij het behalen van de doelstelling. Er is in deze matters geen sprake van een tarief per uur, vergoeding voor werk of kosten slechts een bedrag aan het eind normaal gesproken zoek ik rond de 30% van de waarde van het project.
Dit tweede onderdeel is high risk- high reward zoals bleek eind 2020 toen een matter onderging waar ik, naast tijd ook over €200,000 in had zitten. In deze matter ging het om de bouw en financiering van een ziekenhuis in Pakistan gespecialiseerd in vasculaire procedures. De financial close zou eind 2020 plaats hebben gevonden en werd, mede door Covid, vertraagd. Bij financial close zou ik mijn investering plus ongeveer €175,000 hebben ontvangen en bij oplevering van het ziekenhuis eind 2024 een eind betaling van €2,000,000.”
3.5.
Belanghebbende heeft op 25 oktober 2023 een e-mailbericht aan de inspecteur gestuurd. Daarbij heeft hij een overzicht gevoegd waarop verschillende geldbedragen staan die (onder meer) zijn gestort op een bankrekening bij de ING. In het e-mailbericht staat – voor zover relevant – het volgende:
“In navolging op dit gesprek en uw verdere e-mail onderstaand het overzicht van de bedragen die ik heb voorgeschoten ten behoeve van mijn client [persoon] / [bedrijf 2] inzake het ziekhuis project in Pakistan. Zoals aangeven was het de bedoeling dat client tussen de Euro 325K en 375K zou betalen voor mijn werk in April 2021 en daarna USD 2,000,000 bij het bereiken van de IPO eind
2023 begin 2024. Het project is nu dood en client is een oplichter gebleken met wel over een miljoen aan schulden. De bovenstaande bedragen zouden door mijn onderneming in Nederland in rekening zijn gebracht via een factuur. (…)
Ik wilde, nadat ik begon met [persoon] advies te geven, voor mij zelf werken aan projecten, en een deel van de beslissing om zelfstandige te worden in 2018 was dat ik in de verondersteling leefde dat het eerste project in 2023/24 successvol zou worden afgesloten wat mij de middelen zou geven om meer projecten te doen. (…)”
3.6.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2020 met dagtekening 1 december 2023 in afwijking van de aangifte opgelegd. Daarbij heeft hij de aangegeven bijzondere waardevermindering van vlottende activa gecorrigeerd tot nihil. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur (afzonderlijk) de aanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van nihil.
3.7.
De inspecteur heeft belanghebbende – naar aanleiding van het ingediende bezwaar – vragen gesteld over belanghebbendes fiscale woonplaats. Daarop heeft belanghebbende bij e-mailbericht van 15 februari 2024 het volgende gereageerd:

Wat ik bedoel is dat ik economisch gezien in nederland ben gevestigd en ook daar meer tijd ben. Ik heb een enkele onderneming die gevestigd is in Nederland en fiscaal gezien in nederland belast wordt. Het klopt dat ik in 2007 uit Nederland ben vertrokken omdat ik niet alleen een woning met 4 slaapkamers wilde bewonen waar ik bovendien maar een paar nachten per maand was. (…)
Al mijn economische betrekkingen zijn met nederland waarin mijn onderneming is gevestigd, ik heb geen onderneming in duitsland noch heb ik die ooit gehad. Ook heb ik, nu of in het verleden, geen enkele duitse client gehad noch de behoefte daaraan in de toekomst.”
3.8.
Uit het hoorverslag van het gesprek dat op 11 april 2024 heeft plaatsgevonden volgt – voor zover relevant – het volgende:

Met betrekking tot de bijzondere afwaardering van vlottende activa geeft hij aan dat er geen schriftelijk contract bestaat. Wel beschikt hij over whatsapp berichten en overzichten van overboekingen. Veel van zijn zaken doet hij mondeling en op basis van vertrouwen. Gezien zijn werkzaamheden loopt hij grote risico’s, maar geniet hij ook grote verdiensten. De heer [belanghebbende] geeft aan dat de klant waar de bijzondere afwaardering betrekking op heeft een oplichter is en indien deze niet failliet was gegaan hij in 2021 betaling had ontvangen. De afwaardering heeft betrekking op de bouw van een ziekenhuis in Pakistan.”
3.9.
Ter onderbouwing van de waardevermindering van vlottende activa van € 203.898 heeft belanghebbende bij diverse e-mailberichten stukken verstrekt aan de inspecteur. De stukken betreffen afbeeldingen van correspondentie met [persoon] , geldoverboekingen, vliegtickets naar Dubai, en diverse documenten die zien op rechterlijke procedures in de Verenigde Staten.
Belastingjaar 2021
3.10.
Belanghebbende heeft op 21 augustus 2022 als buitenlandse belastingplichtige aangifte IB/PVV en Zvw voor het jaar 2021 gedaan. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt volgens de aangifte € 588 en bestaat volledig uit winst uit onderneming. Daarbij heeft belanghebbende ‘een waardeverandering van vorderingen’ in aanmerking genomen van negatief € 59.500.
3.11.
Met dagtekening 14 mei 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende vragen gesteld met betrekking tot de aangegeven waardevermindering van
€ 59.500.
3.12.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2021 met dagtekening 12 november 2024 in afwijking van de aangifte opgelegd. Daarbij heeft hij de waardeverandering van vorderingen gecorrigeerd tot nihil. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag IB/PVV heeft de inspecteur (afzonderlijk) de aanslag Zvw opgelegd (zie 1.1).
3.13.
Belanghebbende heeft bij e-mailberichten van 28 januari 2025 en 25 februari 2025 diverse stukken overgelegd:
  • de winst- en verliesrekening van [bedrijf 1] voor het jaar 2021;
  • een overzicht met bankoverschrijvingen van in totaal € 59.500;
  • een huurovereenkomst van een kantoorruimte;
  • stukken inzake een vordering op [persoon] van $ 344,535.54;
  • correspondentie met betrekking tot het project in Pakistan.

Overwegingen

Vooraf: tardief
4. De inspecteur heeft op 6 januari 2026 digitaal een kopie van de pleitnota voor de zitting ingediend. Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat de pleitnota integraal tardief moet worden verklaard omdat het te laat is ingediend. De rechtbank gaat daarin niet mee. Het betreft een pleitnota welke de inspecteur bovendien ter zitting heeft voorgedragen en waarop belanghebbende op de gebruikelijke wijze heeft kunnen reageren. Het verzoek tot tardief-verklaring wijst de rechtbank daarom af.
De aanslag Zvw 2020
4.1.
Als eerste zal de rechtbank ingaan op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de aanslag Zvw 2020 door de inspecteur. Belanghebbende komt weliswaar in beroep maar draagt geen argumenten aan waarom het bezwaar ten onrechte
niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank is ook niet gebleken dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende is voor het jaar 2020 geen bijdrage Zvw verschuldigd (zie 1.1). Dit betekent dat belanghebbende geen belang had bij de bezwaarprocedure over die aanslag en dus terecht niet-ontvankelijk is verklaard door de inspecteur. Het beroep (inzake zaaknummer 24/5273) is dus ongegrond.
De aanslagen IB/PVV 2020 en 2021
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in Nederland winst uit onderneming geniet. De rechtbank begrijpt het standpunt van belanghebbende zo dat belanghebbende een onderneming in Nederland drijft, maar in de onderhavige jaren niet in Nederland woonachtig was. In de aangifte is opgenomen dat belanghebbende in Duitsland woont, maar belanghebbende stelt thans dat dat niet klopt. Belanghebbende stelt niet in Nederland te wonen en ook niet in Duitsland, maar ergens anders.
4.3.
In de kern is in geschil of de bedragen van € 203.898 (2020) en € 59.500 (2021) in aftrek mogen worden gebracht van de winst uit de door belanghebbende gestelde Nederlandse activiteiten (zie 3.7). Die bedragen zien volgens belanghebbende op betalingen van verschotten voor de bouw en financiering van een ziekenhuis in Pakistan
(zie 3.4 en 3.5). Gelet op hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en de stukken die zijn overgelegd, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt door belanghebbende dat de genoemde kosten daadwerkelijk tot de voorgenoemde bedragen zijn gemaakt. Ook voor het geval belanghebbende de kosten wel aannemelijk zou hebben gemaakt, dan heeft belanghebbende bij deze stand van zaken niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten toerekenbaar zijn aan de activiteiten in Nederland. Reeds daarom kunnen de beroepen van belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Dit betekent dat de inspecteur de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 niet naar te hoge bedragen heeft opgelegd.
De aanslag Zvw 2021
4.4.
Belanghebbende heeft tegen de hoogte van de aanslag Zvw 2021 geen gronden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat het belastbaar inkomen uit werk en woning in de aanslag IB/PVV 2021 niet te hoog is vastgesteld. Dit betekent dat ook het
bijdrage-inkomen in de aanslag Zvw niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Aanslag IB/PVV 2021
4.5.
Belanghebbende stelt dat de aanslag IB/PVV 2021 onredelijk en disproportioneel is. Daarnaast is belanghebbende van mening dat de inspecteur vooringenomen heeft gehandeld.
4.6.
De rechtbank ziet in de feiten en omstandigheden geen aanleiding om te concluderen dat enig door belanghebbende gesteld dan wel enig ander beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden. Andere aanleiding om het beroep gegrond te verklaren in dit kader – voor zover de rechter dit mag toetsen – ziet de rechtbank niet.
Belastingrentebeschikkingen
4.7.
Belanghebbende voert aan dat de inspecteur ten onrechte belastingrente in rekening heeft gebracht vanwege de lange behandelduur met betrekking tot het opleggen van de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2021. Tot slot stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het in rekening brengen van belastingrente disproportioneel is en neerkomt op een ontneming van eigendom, hetgeen strijdig is met het Unierecht.
4.8.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur een wettelijke termijn heeft van drie jaar voor het opleggen van de aanslagen. [1] Daar heeft de inspecteur zich in dit geval aan gehouden. De aanslagen zijn dus tijdig opgelegd. Dat belanghebbende de behandelduur als lang heeft ervaren, betekent niet dat daardoor geen of minder belastingrente is verschuldigd.
4.9.
Wat betreft het beroep op het proportionaliteitsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 [2] slaagt dit beroep niet. Belanghebbende voert tot slot aan dat de handelingen in het kader van de belastingrentebeschikking van de inspecteur in strijd zijn met artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om tot schending van artikel 6 EVRM Pro te concluderen.
4.10.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag Zvw 2020 terecht niet-ontvankelijk verklaard. De aanslag IB/PVV 2020, de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2021 en de belastingrentebeschikkingen blijven in stand.
5.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Ook krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 2 maart 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 11, derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.Hoge Raad, 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59.