ECLI:NL:RBZWB:2026:1298

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/382
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 6:12 AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding bij te vroeg ingesteld beroep niet tijdig beslissen

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een object en stelde de heffingsambtenaar in gebreke wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. Hoewel belanghebbende een ingebrekestelling had gedaan, stelde hij het beroep wegens niet tijdig beslissen te vroeg in, voordat de termijn van twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling was verstreken.

De heffingsambtenaar had op 21 februari 2024 al uitspraak op bezwaar gedaan, wat door belanghebbende werd betwist. De rechtbank concludeert dat als deze uitspraak rechtsgeldig was gedaan, er geen sprake was van een te late beslissing en het beroep dus niet ontvankelijk was. Als de uitspraak niet rechtsgeldig was gedaan, was het beroep alsnog te vroeg ingesteld.

Belanghebbende trok het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding, vergoeding van griffierecht en een dwangsom. De rechtbank oordeelt dat zij na intrekking alleen bevoegd is om proceskosten te beoordelen en wijst het verzoek af omdat geen tegemoetkoming door de heffingsambtenaar is vastgesteld.

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om de overige verzoeken te beoordelen en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink op 27 februari 2026.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het beroep te vroeg was ingesteld of al was beslist.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/382
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Belanghebbende heeft met dagtekening 14 februari 2024 bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2023 van het object aan [adres] in [plaats] .
2. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar met dagtekening 2 januari 2025, ontvangen door de heffingsambtenaar op 6 januari 2025, in gebreke gesteld.
3. De heffingsambtenaar heeft de ontvangst van de ingebrekestelling op 6 januari 2025 aan belanghebbende bevestigd en hierbij aangegeven dat zij geen bezwaarschrift heeft ontvangen en ook geen WOZ-beschikking 2024 op naam van belanghebbende is afgegeven. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift en een bewijs van verzending te verstrekken.
4. Belanghebbende heeft op 20 januari 2025 het bezwaarschrift en bewijs van verzending aan de heffingsambtenaar verstrekt. Belanghebbende heeft tevens op dezelfde dag beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar.
5. De heffingsambtenaar heeft op 30 januari 2025 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Aan belanghebbende is geen
WOZ-beschikking 2024 opgelegd, zodat het ook niet mogelijk is om bezwaar te maken.
6. Belanghebbende heeft het beroep op 31 januari 2025 ingetrokken met het verzoek de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten. Op 17 oktober 2025 heeft belanghebbende aanvullend verzocht om vergoeding van het griffierecht en een dwangsom.
7. De heffingsambtenaar heeft op de verzoeken gereageerd en gesteld dat op 21 februari 2024 reeds ook uitspraak op bezwaar is gedaan. Belanghebbende heeft volgens hem dan ook geen recht op een proceskostenvergoeding, vergoeding van het griffierecht en een dwangsom.
8. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek van belanghebbende. [1]

Beoordeling door de rechtbank

9. Belanghebbende heeft het beroep ingetrokken en verzocht om een vergoeding van de proceskosten, het griffierecht en een dwangsom. De rechtbank kan de verzoeken om vergoeding van het griffierecht en een dwangsom niet beoordelen, omdat de verzoeken zijn gedaan nadat het beroep is ingetrokken. De rechtbank is na intrekking van het beroep alleen bevoegd om een vergoeding van proceskosten vast te stellen. [2]
10. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak dus uitsluitend of aanleiding bestaat voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten en of belanghebbende terecht beroep heeft ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
11. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [3]
Is de heffingsambtenaar aan belanghebbende tegemoetgekomen?
12. De rechtbank moet dus beoordelen of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen. De rechtbank zal in dat kader beoordelen of belanghebbende terecht een beroep niet tijdig beslissen heeft ingesteld.
13. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [4] Voor het moment waarop de ingebrekestelling geschiedt, geldt de ontvangsttheorie. [5] Dat betekent dat de datum van ontvangst, en dus niet de datum van verzending, van de ingebrekestelling door het bestuursorgaan bepalend is.
14. De ingebrekestelling is op 6 januari 2025 door de heffingsambtenaar ontvangen. Belanghebbende heeft op 20 januari 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. De rechtbank constateert dat in het geval de uitspraak op bezwaar van 21 februari 2024 niet rechtsgeldig is gedaan, omdat deze – zoals belanghebbende stelt – niet door belanghebbende is ontvangen, belanghebbende te vroeg in beroep is gegaan. De termijn van twee weken die in de ingebrekestelling staat, was namelijk gelet op de datum van de ontvangst van de ingebrekestelling nog niet voorbij toen belanghebbende beroep heeft ingediend.
14. In het geval de uitspraak op bezwaar op 21 februari 2024 wel rechtsgeldig is gedaan, dan komt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van een beroep niet tijdig beslissen. Op het moment van instellen van het beroep, was dan immers al beslist op het bezwaarschrift.
16. Nu het beroep niet tijdig beslissen te vroeg is ingesteld dan wel al uitspraak op bezwaar was gedaan, kon geen beroep niet tijdig beslissen worden ingesteld. In dat geval kan niet worden gezegd dat de heffingsambtenaar met de uitspraak op bezwaar geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. [6] Het verzoek om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
 wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af
 verklaart zich onbevoegd om de overige verzoeken te beoordelen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 27 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 8:75a, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
5.Kamerstukken I 2006/07, 29934, D, p. 4 en artikel 4:17, derde lid, Awb.
6.Vgl. CRvB 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1422.