Uitspraak
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
Inleiding
WOZ-beschikking 2024 opgelegd, zodat het ook niet mogelijk is om bezwaar te maken.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een object en stelde de heffingsambtenaar in gebreke wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. Hoewel belanghebbende een ingebrekestelling had gedaan, stelde hij het beroep wegens niet tijdig beslissen te vroeg in, voordat de termijn van twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling was verstreken.
De heffingsambtenaar had op 21 februari 2024 al uitspraak op bezwaar gedaan, wat door belanghebbende werd betwist. De rechtbank concludeert dat als deze uitspraak rechtsgeldig was gedaan, er geen sprake was van een te late beslissing en het beroep dus niet ontvankelijk was. Als de uitspraak niet rechtsgeldig was gedaan, was het beroep alsnog te vroeg ingesteld.
Belanghebbende trok het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding, vergoeding van griffierecht en een dwangsom. De rechtbank oordeelt dat zij na intrekking alleen bevoegd is om proceskosten te beoordelen en wijst het verzoek af omdat geen tegemoetkoming door de heffingsambtenaar is vastgesteld.
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om de overige verzoeken te beoordelen en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink op 27 februari 2026.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het beroep te vroeg was ingesteld of al was beslist.