Belanghebbende heeft bij de rechtbank beroep ingesteld omdat de heffingsambtenaar niet tijdig heeft beslist op zijn verzoek van 3 juni 2025 om een rentebeschikking vast te stellen over de proceskostenvergoeding en griffierecht die bij uitspraak van 14 oktober 2025 waren toegekend.
De rechtbank overweegt dat de regels over wettelijke rente in afdeling 4.4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing zijn op verplichtingen tot betaling die bij bestuursrechterlijke uitspraak zijn opgelegd. Hierdoor geldt voor de betaling van wettelijke rente de regeling van het Burgerlijk Wetboek en is alleen de burgerlijke rechter bevoegd hierover te oordelen.
Omdat geen beroep bij de belastingrechter mogelijk is en de rechtbank zich onbevoegd verklaart, komt zij niet toe aan het verzoek om een dwangsom vast te stellen. De rechtbank draagt het door belanghebbende betaalde griffierecht van €53,- aan hem terug en wijst een proceskostenvergoeding af.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op 27 februari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.