ECLI:NL:RBZWB:2026:1269

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
02-222628-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 348 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen bezit van 126 kilo cocaïne met gevangenisstraf en geldboete

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 26 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die samen met anderen ongeveer 126 kilo cocaïne aanwezig had in Etten-Leur in augustus 2025. De zaak is behandeld met procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, waarbij verdachte geen inhoudelijk verweer voerde en het feit juridisch bewezen kon worden verklaard.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte zich intensief bezighield met het scheiden van de cocaïneverpakkingen en dat de hoeveelheid drugs een grote straatwaarde vertegenwoordigt. Dit wijst op betrokkenheid bij georganiseerde drugshandel, met ernstige maatschappelijke gevolgen. Verdachte heeft eerder wel een strafblad, maar niet voor drugsovertredingen.

Op basis van de ernst van het feit en de gemaakte procesafspraken heeft de rechtbank een gevangenisstraf van 42 maanden en een geldboete van €20.000 opgelegd, waarbij de tijd in voorarrest in mindering wordt gebracht. De rechtbank acht de straf passend en in verhouding tot de zaak en benadrukt dat verdachte vrijwillig instemde met de procesafspraken en zich bewust was van de gevolgen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf en een geldboete van €20.000 voor medeplegen van het aanwezig hebben van 126 kilo cocaïne.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-222628-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
ingeschreven op het [adres] ,
ten tijde van de behandeling op zitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsvrouw mr. E. van de Rakt, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 februari 2026 waarbij de officier van justitie mr. R. in ’t Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (02-251899-25) en [medeverdachte 2] (0222265325).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van ongeveer 126.000 gram cocaïne.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De procesafspraken

4.1.
De overeenkomst
Het Openbaar Ministerie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, hebben procesafspraken gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. Deze procesafspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die door verdachte, zijn raadsvrouw en door de officier van justitie is ondertekend. De overeenkomst is voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.
Samengevat en voor zover hier relevant houden de procesafspraken het volgende in:
De verdediging:
  • De verdachte zal geen (nadere) onderzoekswensen indienen en/of (inhoudelijke) verweren voeren;
  • Verdachte hoeft geen schuld te erkennen. De verdediging en verdachte geven echter door ondertekening van deze procesafspraken richting rechtbank en Openbaar Ministerie aan dat het feit en kwalificatie zoals tussen Openbaar Ministerie en verdediging vastgesteld in bijlage A (juridisch gezien) bewezen kan worden verklaard en dat er geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd;
  • Verdachte bevestigt middels ondertekening van deze overeenkomst dat al het strafvorderlijk beslag is afgehandeld;
  • De verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging (hoogstwaarschijnlijk) zal leiden tot een veroordeling van het strafbare feit als omschreven in de tenlastelegging;
  • Verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken en meewerken aan de tenuitvoerlegging en executie van de op te leggen gevangenisstraf en geldboete.
Het Openbaar Ministerie
 Het Openbaar Ministerie zal ter zitting requireren tot:
- Bewezenverklaring van het aan verdachte tenlastegelegde feit (conform de inhoud van de bijlage onder A);
- Een strafoplegging als hieronder weergegeven:
 Een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden (met aftrek);
 Een geldboete van 20.000 euro te vervangen door 125 dagen hechtenis;
 Het Openbaar Ministerie heeft geen ontnemingsvordering tegen de verdachte aanhangig gemaakt en zal dat – indien de procesafspraken door de rechtbank worden gevolgd – ook niet (meer) doen.
Verder is onderdeel van de overeenkomst dat door de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep zal worden ingesteld, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de gemaakte procesafspraken.
4.2.
Het toetsingskader en de toetsing in deze zaak
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte gemaakte procesafspraken af te doen. Bij deze beoordeling zijn de uitgangspunten, zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van
27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252) leidend geweest.
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsvrouw. Verdachte is ook samen met zijn raadsvrouw aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 12 februari 2026, alwaar de inhoud van de overeenkomst ter zitting is besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte weloverwogen en vrijwillig, op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om in te stemmen met deze procesafspraken en de daarmee gepaard gaande (mogelijke) gevolgen daarvan. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt.
De voorzitter heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de gemaakte procesafspraken en niet gehouden is tot naleving ervan. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) leidend is geweest.

5.De beoordeling van het bewijs

5.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht overeenkomstig de procesafspraken het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweren gevoerd.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Nu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zal het feit zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
5.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode van 8 augustus 2025 tot en met 11 augustus 2025 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 126.000 gram cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

6.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert conform de gemaakte procesafspraken een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 20.000,00.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft overeenkomstig de gemaakte procesafspraken geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft samen met respectievelijk zijn broer en verloofde 126 kilo cocaïne aanwezig gehad van 8 tot en met 11 augustus 2025. Gedurende deze dagen heeft verdachte zich intensief bezig gehouden met het scheiden van de deklading (rozen) en de met cocaïne gevulde pijpjes. De aangetroffen hoeveelheid harddrugs vertegenwoordigt een grote straatwaarde en ook de wijze waarop de harddrugs was verpakt doen vermoeden dat verdachte en zijn mededaders een rol hebben gespeeld in de georganiseerde drugshandel, waarvan bekend is dat deze ernstige gevolgen heeft voor de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van cocaïne schadelijk is voor de volksgezondheid. De productie, handel in en consumptie van harddrugs (of voorbereiding daarvan) veroorzaken regelmatig overlast en genereren andere vormen van criminaliteit, waaronder zelfs liquidaties. Bovendien investeren of spenderen dergelijke organisaties hun in de onderwereld illegaal behaalde winsten doorgaans in de bovenwereld waardoor vermenging van de boven- en onderwereld plaatsvindt. Dergelijke misdrijven hebben dan ook een ontwrichtend en ondermijnend effect op de samenleving als geheel. Verdachte heeft met zijn handelen hieraan een wezenlijke bijdrage geleverd.
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 12 augustus 2025 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor andersoortige feiten, maar niet eerder voor overtreding van de Opiumwet.
Strafoplegging
Gelet op de aard en de ernst van dit feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In beginsel acht de rechtbank, evenals de officier van justitie, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 54 maanden passend en geboden. Naar aanleiding van de gemaakte procesafspraken komt de rechtbank echter tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. Daarbij overweegt de rechtbank dat de gemaakte procesafspraken een efficiënte en voortvarende behandeling en een effectieve afdoening van de zaak dienen. De overeengekomen straffen, bestaande uit een gevangenisstraf en een geldboete, staan bovendien in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de omstandigheden van het geval.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door het Openbaar Ministerie en de verdachte overeengekomen straf zoals is neergelegd in de overeenkomst van procesafspraken hier een passende straf is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 42 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot
betaling van een geldboete van € 20.000,-;
- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
125 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter,
en mr. R.J.H. de Brouwer en mr. P.K.J. van der Wal, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 februari 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 8 augustus 2025 tot en met 11 augustus 2025 te Etten-Leur, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 126.000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.