ECLI:NL:RBZWB:2026:1245

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/6405
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:6 AwbArt. 7:10 AwbArt. 6:10aa Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag over de jaren 2009, 2010 en 2013. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke termijn op dit bezwaar beslist. Hoewel eiseres het beroep iets te vroeg instelde, oordeelt de rechtbank dat het beroep ontvankelijk is omdat de termijn inmiddels is verstreken en verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen.

De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 12 mei 2025 is verstreken en dat de door verweerder gestelde verlengingen niet rechtsgeldig waren. Na ingebrekestelling op 21 augustus 2025 en het verstrijken van twee weken, is het beroep gegrond verklaard. De rechtbank legt een beslistermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak op aan verweerder om alsnog een besluit te nemen.

Daarnaast wordt verweerder een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden. Verweerder moet ook het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter R.P. Broeders en griffier M.R. Jouvenaar op 25 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een beslistermijn van twee weken en een dwangsom op aan verweerder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6405

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 17 februari 2025 tegen de definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag over de jaren 2009, 2010 en 2013 van 5 augustus 2024.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Eiseres is te vroeg in beroep gegaan. De termijn van twee weken die in de ingebrekestelling staat, was na ontvangst van de ingebrekestelling namelijk nog net niet voorbij toen eiseres het beroep indiende. De hoofdregel is dan dat het beroep niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. In dit geval vindt de rechtbank dat het beroep tóch ontvankelijk is, omdat de termijn inmiddels is verstreken en verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen.
4. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 17 februari 2025 en het is op dezelfde datum door verweerder ontvangen. In dit geval geldt de volgende beslistermijn. [2] Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit
.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen. [3] Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met zes weken. [4] Verweerder had dus uiterlijk op 12 mei 2025 moeten beslissen. Verweerder heeft in de brief van 6 maart 2025 vermeld dat de beslistermijn is uitgesteld en dat hij tot op zijn laatst tot 4 april 2025 wacht met het behandelen van het bezwaar, omdat eiseres nog niet heeft aangegeven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. In zijn brief van 23 april 2025 vermeldt verweerder wederom dat dat de beslistermijn is uitgesteld en dat hij tot op zijn laatst tot 22 mei 2025 wacht met het behandelen van het bezwaar, omdat eiseres nog niet heeft aangegeven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Hiermee is de beslistermijn echter niet rechtsgeldig opgeschort of verlengd. Er is namelijk geen sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Awb in samenhang met artikel 7:10, tweede lid, van de Awb. Verweerder gaat daar overigens in de dwangsombeschikking van 29 oktober 2025 kennelijk ook vanuit. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 21 augustus 2025 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 27 augustus 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
5.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
5.2.
In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025. [5]
5.3.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.
5.4.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 12 mei 2025 is verstreken. Dit zou betekenen dat verweerder uiterlijk 6 juli 2026 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. De rechtbank ziet echter aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen. Verweerder verzoekt in het verweerschrift om er rekening mee te houden dat eiseres het bezwaar buiten de bezwaartermijn heeft ingediend en hiervoor, na hiertoe bij brief van 6 maart 2025 en 23 april 2025 in de gelegenheid te zijn gesteld, geen reden heeft gegeven. Naar aanleiding van het verzoek van verweerder bepaalt de rechtbank dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 5.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 6. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 25 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 7:10 van Pro de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van Pro de Awb.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.
4.Op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb.