ECLI:NL:RBZWB:2026:1229

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
C/02/430715/HA ZA 25-28 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Römers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:98 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding overeenkomst webshoppartij wegens niet-nakoming en afwijzing schadevergoeding

2D Business gaf opdracht aan een vennootschap onder firma (vof) om een nieuwe webshop te realiseren. De vof leverde de webshop niet op binnen de afgesproken termijn, ondanks meerdere verlengingen en ingebrekestellingen. 2D Business ontbond de overeenkomst en vorderde terugbetaling van het betaalde bedrag en schadevergoeding. De vennoten van de vof betwistten de ontbinding en vorderden betaling van meerwerk.

De rechtbank oordeelde dat de vof tekort was geschoten in de nakoming en dat de ontbinding terecht was. De afgesproken opleverdatum was geen fatale termijn, maar na ingebrekestelling en het verstrijken van een redelijke termijn ontstond verzuim. De vof had haar zorgplicht niet nageleefd door onvoldoende duidelijkheid te geven over meerwerk.

De rechtbank kende 2D Business een bedrag toe ter ongedaanmaking van de overeenkomst minus de waarde van het geleverde contentpakket. De gevorderde schadevergoeding wegens gemiste omzet en marketingkosten werd afgewezen wegens onvoldoende causaal verband en onvoorzienbaarheid. De vorderingen van de vennoten tot betaling van meerwerk werden eveneens afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De overeenkomst is terecht ontbonden, terugbetaling van €9.566,00 toegewezen, schadevergoeding en meerwerkvorderingen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/430715 / HA ZA 25-28
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
2D BUSINESS B.V.,
te Velp,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie
hierna te noemen: 2D Business,
advocaat: mr. T.O. van Hoorn,
tegen

1.[vennoot 1] ,

Voor zich en in zijn hoedanigheid van deelgenoot in en vennoot van de uitgeschreven vennootschap onder firma [V.o.F.] ,
te [plaats 1] ,
2.
[vennoot 2],
Voor zich en in zijn hoedanigheid van deelgenoot in en vennoot van de uitgeschreven vennootschap onder firma [V.o.F.] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [vennoten] ,
advocaten: mr. C.A. Gobbens en mr. C.M. Borman.

1.De zaak in het kort

1.1. 2
D Business heeft [V.o.F.] opdracht gegeven om een nieuwe webshop voor haar te realiseren. 2D Business vindt dat [V.o.F.] die opdracht niet goed heeft uitgevoerd en heeft daarom de overeenkomst ontbonden. In deze procedure vraagt 2D Business een verklaring voor recht dat deze ontbinding terecht was. Ook vordert zij het betaalde bedrag terug en wil zij schadevergoeding. [vennoten] voeren verweer, zij vinden dat de overeenkomst goed is nagekomen. Op hun beurt vorderen zij betaling van meerwerk.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst terecht is ontbonden en dat er in het kader van ongedaanmakingsverbintenissen een bedrag moet worden terugbetaald aan 2D Business. De schadevergoeding wordt afgewezen. Ook de gevorderde meerwerkvergoeding wordt afgewezen.
1.3.
Dit oordeel wordt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ toegelicht. Eerst worden het verloop van de procedure, de relevante feiten en het geschil geschetst. Tot slot volgt de beslissing.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 juli 2025 en de daarin genoemde processtukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de akte overlegging producties van [vennoten] , met de producties 31-36;
- de akte overlegging producties van 2D Business, met de producties 99-108;
- de spreekaantekeningen van 2D Business;
- de spreekaantekeningen van [vennoten] ;
- de mondelinge behandeling van 19 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1. 2
D Business handelt mede onder de naam ProBBQshop en heeft een webshop voor onder meer barbecues en barbecueaccessoires.
3.2.
[vennoten] zijn vennoten geweest van de vennootschap onder firma [V.o.F.] . Op 10 februari 2023 is bij de Kamer van Koophandel geregistreerd dat deze onderneming met ingang van 31 december 2022 is opgeheven. Uit het uittreksel uit het handelsregister blijkt dat [V.o.F.] een onderneming dreef die zich bezighield met storytelling, (online) marketing, communicatie en design.
3.3. 2
[V.o.F.] heeft op 6 december 2021 aan 2D Business een offerte toegezonden voor het realiseren van een vernieuwde webshop van ProBBQshop. Deze offerte bestaat uit de onderdelen Design, Realisatie Front End, Realisatie Back End, Optionele koppeling met databases en Content creatie totaal pakket. Onderdeel van de werkzaamheden is dat de webshop de overstap maakt van Lightspeed naar Woocommerce. Het onderdeel content creatie zou worden verzorgd door [eenmanszaak] voor een bedrag van € 1.650,00 exclusief btw. De geoffreerde prijs is in totaal € 14.020,00 exclusief btw.
3.4.
Partijen hebben deze offerte besproken. In de e-mail van [V.o.F.] aan 2D Business van 30 december 2021 zijn de gemaakte afspraken benoemd. Onder meer is afgesproken dat de oplevering van de website uiterlijk op 1 maart 2022 zal plaatsvinden. De offerte is door 2D Business geaccepteerd.
3.5.
Hierna is tussen partijen veel gecorrespondeerd per e-mail. Ook vond communicatie plaats via het zogenoemde ‘Mondayboard’ (een projectmanagement ‘tool’). In de kern gaat die correspondentie over testresultaten, wijzigingen en de datum van oplevering.
3.6.
Op 20 mei 2022 schrijft [V.o.F.] aan 2D Business dat het project niet loopt zoals het zou moeten lopen en dat het jammer is dat er nu nog niet wordt opgeleverd. De opleverdatum wordt geschat op 27 mei 2022.
3.7.
Op 29 juni 2022 schrijft [V.o.F.] aan 2D Business onder meer:
“Zoals besproken som ik hieronder enkele hoofditems op waarvan ik denk dat deze nog gecontroleerd en indien nodig aangepast kunnen worden naar wens. Zoals aangegeven zullen we bij eventueel extra maatwerk aanpassingen dit eerlijk communiceren zodat de keuze gemaakt kan worden dit wel of niet aan te pakken. (…)
Ik ga het project uitzetten na een akkoord of wijziging op de hoofdproducten en zal deze met jullie delen met als einddoel 1 september. (…)”
3.8.
In een e-mail van 6 oktober 2022 schrijft 2D Business onder meer:
“De door [V.o.F.] beloofde oplevering het project was 1 maart 2022. Helaas had [V.o.F.] zonder opgave van reden de deadline niet gehaald. Afgelopen periode hebben we [V.o.F.] herhaaldelijk verzocht om het project alsnog op te leveren. Hiervoor hadden in samenspraak met [V.o.F.] nieuwe oplevermomenten en werkwijze afgesproken. Echter, werden ook deze telkens niet behaald en nageleefd. Dit is onder andere terug te zien in onze mailwisseling, whatsapp historie en in uw online project management tool ‘Monday’ en talloze telefoongesprekken. (…)
Wij vragen [V.o.F.] om het project binnen het einde van de maand oktober 2022 op te leveren conform afspraak. (…)
Levert [V.o.F.] het project niet binnen dit termijn op en betaalt [V.o.F.] onze rekeningen niet, dan blijft [V.o.F.] in gebreke. Wij zijn dan genoodzaakt om het contract te ontbinden en verdere juridische stappen te nemen (…)”
3.9.
In een e-mail van 20 oktober 2022 schrijft 2D Business aan [V.o.F.] :
“(…) Verder is er gesproken dat jij een berekening zal maken mbt de uren die jullie extra besteden aan het project buiten de offerte om. Zodat wij kunnen beoordelen hoe dit in verhouding staat tot de extra gemaakte kosten door ons, die wij nu bij jullie in rekening hadden gebracht alvorens wij besluiten wat te doen met deze factuur. Tevens ga jij aan dat de laatste 20% van de offerte komt te vervallen. (…)”
3.10.
In een e-mail van 21 oktober 2022 schrijft [V.o.F.] als reactie in het rood hierbij:
“Dit gaan we doen. Wel pas na oplevering van de webshop naar behoren. (…) Ik wil wel beamen dat we sowieso die laatste 20% laten vervallen. De uren die we in het buiten de offerte gewerkt hebben aan gerealiseerde toepassingen zal ik op een later tijdstip overzichtelijk in kaart brengen en met jullie delen.”
3.11.
Op 18 november 2022 schrijft 2D Business aan [V.o.F.] :
“We zijn nu bijna een maand verder en er dient nog een hoop te gebeuren (…)
Daarnaast hebben wij tot op heden geen harde deadline mogen ontvangen, daarom hebben wij de volgende scenario’s gemaakt:
PLAN A (…) Go live datum uiterlijk 2 januari 2023
PLAN B (…) Het wordt tijd dat we van elkaar afscheid nemen. We zijn al 1 jaar dan onderweg en hebben nog steeds geen nieuwe webshop (…)”
3.12. 2
D Business schrijft aan [V.o.F.] op 9 januari 2023 dat de webshop niet functioneert en steeds een bepaalde foutmelding geeft.
3.13.
De advocaat van 2D Business stuurt [vennoten] op 12 februari 2024 een brief, waarin de overeenkomst tussen partijen wordt ontbonden. 2D Business maakt aanspraak op terugbetaling van het betaalde bedrag € 13.571,36 en een schadevergoeding van € 14.753,06 voor de in die brief genoemde schadeposten. 2D Business sommeert [vennoten] het totale bedrag van € 28.144,42 uiterlijk 27 februari 2024 te betalen.

4.Het geschil in conventie en in voorwaardelijke reconventie

In conventie
4.1. 2
D Business vordert in conventie – samengevat – het volgende:
een verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden bij brief van 12 februari 2024, of deze alsnog te ontbinden, of dat deze is opgezegd;
( [V.o.F.] en haar vennoten) [vennoten] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 11.216,00 als nakoming van de ongedaanmakingsverbintenissen ten gevolge van de ontbinding van de overeenkomst;
( [V.o.F.] en haar vennoten) [vennoten] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 125.949,62 ter nakoming van de wettelijke schadevergoedingsverbintenissen ten gevolge van de ontbinding van de overeenkomst;
( [V.o.F.] en haar vennoten) [vennoten] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten.
4.2. 2
D Business legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De ontbinding van de overeenkomst is geldig, want [vennoten] :
- hebben fatale termijnen overschreden;
- zijn tekortgeschoten in de op hen rustende zorgplichten en nakoming daarvan is blijvend onmogelijk;
- zijn in gebreke gesteld waarna nakoming is uitgebleven;
- hebben een opeenstapeling van fouten gemaakt en daarmee een onhoudbare situatie gecreëerd.
Ook het niet langer bestaan van [V.o.F.] leidt ertoe dat nakoming blijvend onmogelijk is. 2D Business vreesde daarnaast op 12 februari 2024 dat [vennoten] tekort zouden schieten in de nakoming van hun verbintenis.
4.3.
[vennoten] voeren verweer. Zij vorderen voor alle weren dat 2D Business niet-ontvankelijk wordt verklaard in hun vorderingen. Er is uitsluitend gecontracteerd met [V.o.F.] , maar de ontbonden vof [V.o.F.] is niet gedagvaard. Verder betwisten zij dat sprake is geweest van een geldige ontbinding. [vennoten] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van 2D Business, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van 2D Business, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van 2D Business in de kosten van deze procedure.
In voorwaardelijke reconventie
4.4.
In voorwaardelijke reconventie vorderen [vennoten] – samengevat – veroordeling van 2D Business tot betaling van € 30.276,88 en tot betaling van € 1.077,77, wegens buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met wettelijke (handels)rente.
4.5.
Zij leggen hieraan het volgende ten grondslag. Onder de voorwaarde dat de rechtbank oordeelt dat 2D Business ontvankelijk is in haar vorderingen, er sprake is van een tekortkoming en dit tot enige terugbetalingsverplichting leidt, vorderen [vennoten] betaling van het door hen verrichte meerwerk.
4.6. 2
D Business betwist de vorderingen en concludeert tot afwijzing hiervan, met veroordeling van [vennoten] in de proceskosten.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In conventie
De ontvankelijkheid
5.1.
Een vof heeft geen rechtspersoonlijkheid maar heeft wel procesbevoegdheid; dat wil zeggen dat een vof zelfstandig in rechte kan optreden en dus ook zelfstandig kan worden gedagvaard. De individuele vennoten hoeven dus geen procespartij te zijn. Ook na ontbinding van de vof kan deze nog als procespartij optreden. Als ten laste van de vof een verbintenis is ontstaan, heeft een schuldeiser van de vof volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad twee samenlopende vorderingsrechten, die onafhankelijk van elkaar kunnen worden ingesteld en verhaald. Het ene vorderingsrecht bestaat ten opzichte van de vof en is verhaalbaar op het afgescheiden vermogen van de vof. Het andere vorderingsrecht bestaat ten opzichte van de vennoten van de vof en is verhaalbaar op het privévermogen van de vennoten. [1]
5.2.
In deze zaak heeft de vof een verbintenis op zich genomen zoals neergelegd in de tussen partijen gesloten overeenkomst. Deze verbintenis komt ten laste van de vof en een vorderingsrecht kan dus geldend worden gemaakt tegen de vof of de vennoten. Dat de vof inmiddels is ontbonden heeft niet tot gevolg dat geen vorderingsrecht (meer) geldend kan worden gemaakt tegen [vennoten] als vennoten van deze ontbonden vof. 2D Business is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen tegen [vennoten] .
Ontbinding van een overeenkomst
5.3.
In conventie ligt de vraag voor of 2D Business de overeenkomst tussen partijen terecht heeft ontbonden. Op grond van de wet kan een partij een overeenkomst ontbinden, indien de andere partij tekortschiet in de nakoming van de verbintenissen die voor haar uit de overeenkomst voortvloeien. Als nakoming van de verbintenissen nog mogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas op het moment dat de tekortschietende partij in verzuim is. De geringe aard of geringe betekenis van de tekortkoming kan in de weg staan aan ontbinding, namelijk als de gevolgen van de ontbinding niet gerechtvaardigd zijn.
5.4.
Uit dit wettelijk kader volgen de volgende te doorlopen stappen: (1) welke afspraken hebben partijen gemaakt, (2) is [V.o.F.] tekort geschoten in de nakoming van die afspraken, (3) is er sprake van verzuim (4) en zo ja, rechtvaardigt de tekortkoming ontbinding van de overeenkomst.
De inhoud van de overeenkomst
5.5.
Beide partijen zijn het erover eens dat zij met elkaar een overeenkomst hebben gesloten. Zij zijn het niet eens over wat zij precies met elkaar zijn overeengekomen.
5.6.
Wat partijen zijn overeengekomen moet worden bepaald door:
- wat zij ten opzichte van elkaar hebben verklaard; en
- hun gedragingen; en
- welke betekenis zij aan hun verklaringen en gedragingen hebben toegekend; en
- wat zij daarbij gerechtvaardigd van elkaar mochten verwachten.
5.7.
Niet in geschil is dat 2D Business de offerte van [V.o.F.] van 6 december 2021 heeft geaccepteerd en de inhoud daarvan deel uitmaakt van de overeenkomst. Daarnaast hebben partijen volgens de inhoud van de e-mail van 30 december 2021 aanvullende afspraken gemaakt, zoals de datum van oplevering.
5.8.
Uit de processtukken blijkt dat het ontwikkelen van een webshop een dynamisch proces is. Er is namelijk niet van tevoren vastgelegd hoe de webshoppagina’s er precies uit gaan zien en hoe deze precies gaan functioneren. Dit moet allemaal nog worden ontwikkeld en in die zin is sprake van maatwerk. Er is dus tijdens de uitvoering van de overeenkomst afstemming nodig die kan leiden tot aanpassingen in de gemaakte afspraken om tot een eindproduct te komen. Uitgangspunt is dat [V.o.F.] als opdrachtnemer bij dit ontwikkelingsproces een zorgplicht heeft. Die houdt in dat het op de weg van [V.o.F.] ligt om duidelijk aan te geven of aanpassingen behoren tot de al gesloten overeenkomst, of dat wijzigingen meerwerk opleveren.
5.9.
De rechtbank is van oordeel dat [V.o.F.] die zorgplicht niet is nagekomen. In de e-mail van 29 juni 2022 heeft [V.o.F.] uitdrukkelijk geschreven dat “
we bij eventueel extra maatwerk aanpassingen dit eerlijk communiceren zodat de keuze gemaakt kan worden dit wel of niet aan te pakken”. Uit de verdere correspondentie tussen partijen blijkt niet dat hieraan uitvoering is gegeven. [vennoten] hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij nog niet lang actief waren in de branche en iedere klant graag tevreden wilden houden, en daarom te lang zijn tegemoetgekomen aan wensen van 2D business. De goede bedoelingen van [vennoten] ten spijt, gevolg hiervan is dat 2D Business er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de door haar gewenste aanpassingen onderdeel uitmaakten van de al gesloten overeenkomst, die daarmee in feite is uitgebreid. [V.o.F.] had duidelijker moeten communiceren dat bij aanpassingen sprake is van meerwerk. Dan had 2D Business daarmee akkoord kunnen gaan of niet. Omdat dit achterwege is gelaten is meerwerk niet overeengekomen.
Tekortkoming in de nakoming: fatale termijn en oplevering
5.10.
Vervolgens moet worden beoordeeld of tussen partijen een fatale termijn voor de oplevering is overeengekomen. Volgens 2D Business is op 30 december 2021 afgesproken dat de oplevering van de website uiterlijk op 1 maart 2022 zou plaatsvinden. [vennoten] betwisten dit; volgens hen is sprake van een streefdatum.
5.11.
Op zich heeft 2D Business gelijk dat de aanvankelijk afgesproken opleverdatum van 1 maart 2022 grammaticaal een fatale termijn lijkt te zijn. De datum van 1 maart 2022 is aan het begin van de opdracht genoemd, op een moment dat nog niet volledig kon worden overzien hoe de opdracht uiteindelijk zou verlopen. Duidelijk was dat er nog input vanuit 2D Business nodig zou zijn en er nog een testfase zou volgen. Het ontwikkelen van een webshop is een dynamisch proces, zoals al overwogen. 2D Business mocht de datum van 1 maart 2022 dan ook niet begrijpen als een fatale termijn. De gedragingen van 2D Business sluiten hier ook op aan. 2D Business heeft niet meteen geprotesteerd toen die termijn niet werd gehaald. De termijn van oplevering is enkele keren opgeschoven zonder dat daartegen door 2D Business uitdrukkelijk is geprotesteerd. Dat op 1 maart 2022 nog geen oplevering heeft plaatsgevonden, is daarom geen tekortkoming en heeft dan ook geen verzuim opgeleverd.
5.12.
Wel heeft te gelden dat [V.o.F.] op 6 oktober 2022 in gebreke is gesteld voor het niet opleveren van de webshop. Op dat moment was dus duidelijk dat er aanspraak werd gemaakt op oplevering. Daarbij is een redelijke termijn gesteld voor de nakoming, namelijk 31 oktober 2022. Dat de gestelde termijn redelijk moet worden geacht, volgt al uit de eigen stelling van [vennoten] dat de geoffreerde onderdelen (zo goed als) gereed waren. Die termijn is niet gehaald, en de later genoemde termijn van 2 januari 2023 evenmin. Doel van de overeenkomst en onderdeel van de gemaakte afspraken was dat de webshop live zou gaan, en dit is niet gebeurd. Daarmee is de tekortkoming van [V.o.F.] in de nakoming van de overeenkomst een gegeven.
Verzuim
5.13.
Uit het arrest ECLI:NL:HR:2024:575 volgt dat 2D Business door na de ingebrekestelling een nieuwe termijn voor nakoming te gunnen geen afstand heeft gedaan van haar recht om zich op het al (na 31 oktober 2022) ingetreden verzuim te beroepen.
Bovendien was er al geruime tijd verstreken sinds het aangaan van de opdracht. De oorspronkelijke inschatting was dat het project nog geen 3 maanden in beslag zou nemen, inmiddels waren partijen vele maanden verder. Dat maakt dat de ontbinding ook gerechtvaardigd was. Dit betekent dat 2D Business de overeenkomst terecht op 12 februari 2024 heeft ontbonden.
5.14.
Dit heeft tot gevolg dat de gevorderde verklaring voor recht (vordering 1) toewijsbaar is.
5.15.
Door de ontbinding ontstaan ongedaanmakingsverbintenissen. 2D Business heeft aanspraak gemaakt op terugbetaling van een bedrag van € 11.216,00. Daartegenover staat dat [V.o.F.] recht heeft op vergoeding van de waarde van de door haar geleverde prestatie. Vast staat dat het content creatie pakket door [V.o.F.] is geleverd en dat 2D Business daarvan ook gebruik maakt op haar huidige website. De waarde hiervan is gelijk aan de overeengekomen prijs van € 1.650,00. Verder hebben de werkzaamheden voor 2D Business geen waarde gehad. De webshop is immers niet opgeleverd en onvoldoende is gesteld dat 2D Business daarvan toch profijt heeft gehad. Dit betekent dat [vennoten] hoofdelijk een bedrag van € 9.566,00 aan 2D Business moeten betalen. Dit houdt in dat zowel [vennoot 1] als [vennoot 2] kan worden aangesproken tot betaling van het gehele bedrag. Als de één (een deel) van het bedrag betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5.16.
De hierover gevorderde wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar. De regeling van de wettelijke handelsrente heeft namelijk betrekking op de primaire betalingsverbintenis uit een handelsovereenkomst, de betaling als tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten. Niet op de vordering die is gebaseerd op een ongedaanmakingsverbintenis na een ontbinding van de handelsovereenkomst. Wel kan de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag worden toegewezen vanaf 28 februari 2024, nu 2D Business op 12 februari 2024 heeft aangemaand om uiterlijk op 27 februari 2024 te betalen.
5.17.
Vordering 2 (terugbetaling) zal daarom worden toegewezen, zij het met inachtneming van het voorgaande.
5.18. 2
D Business heeft ook betaling van een bedrag van € 125.949,62 als schadevergoeding gevorderd. Het is opmerkelijk dat 2D Business zo’n hoge vordering instelt, omdat zij in de correspondentie van haar advocaat herhaaldelijk heeft medegedeeld dat de schade € 14.573,06 bedraagt. Dit wekt de indruk dat de vordering is geconstrueerd voor deze procedure. De schadeposten worden hieronder beoordeeld.
5.19. 2
D Business stelt dat zij voor de nieuw te leveren webshop een forse investering heeft gedaan voor een marketingcampagne van [bedrijf 1] voor een bedrag van € 5.192,30. [bedrijf 1] is een expert op het gebied van adverteren op Google. Vanaf medio februari 2022 hadden [bedrijf 1] en [V.o.F.] contact over de nieuwe webshop, zodat [bedrijf 1] haar marketingcampagne naadloos op de instellingen van de webshop zou kunnen aansluiten.
[vennoten] betwisten het oorzakelijk verband tussen het uitblijven van een webshop en deze kosten. Het is de eigen keuze geweest van 2D Business om [bedrijf 1] gelijktijdig met het uitvoeren van de opdracht in te schakelen.
5.20.
Hierboven heeft de rechtbank geoordeeld dat de webshop 1 november 2022 opgeleverd had moeten worden. In deze hypothetische situatie waren de kosten voor [bedrijf 1] ook al gemaakt door 2D Business. Deze gemaakte kosten staan niet in causaal verband met de tekortkoming van [V.o.F.] zodat deze kosten geen schade zijn. Dit geldt ook voor de betaling aan [bedrijf 1] die op 26 oktober 2022 is gedaan en waarvan geen factuur is overgelegd. De vordering tot vergoeding van deze schade voor een bedrag van € 5.192,30 wordt afgewezen.
5.21. 2
D Business vordert vergoeding van misgelopen extra winst. In de zomer van 2023 heeft zij besloten een verbeterslag op haar webshop te willen doorvoeren, ongeacht het feit dat de nieuwe webshop nog altijd niet live was. Zij heeft hiertoe een overeenkomst met [bedrijf 2] gesloten. Nadat [bedrijf 2] haar werkzaamheden heeft verricht, heeft 2D Business een grote groei van haar onderneming en stijging van haar omzet geconstateerd. Tussen 1 september 2023 en 1 januari 2024 was het aantal orders 36,87% groter dan het jaar daarvoor in die periode. Tussen 1 maart 2024 en 1 september 2024 was het aantal orders 23,31% groter dan het jaar ervoor in die periode. Hieruit blijkt dat verbetering van de webshop direct leidde tot een grotere winst. Deze extra winst had gerealiseerd kunnen worden sinds 1 maart 2022. De schade is gemotiveerd berekend op een bedrag van € 122.862,92.
[vennoten] betwisten het causale verband. Dat de omzet na augustus 2023 hoger is, kan veel redenen hebben. Er kunnen meer producten verkocht zijn, er kan meer reclame zijn gemaakt, er kunnen meer partners aangesloten zijn of producten kunnen duurder zijn geworden. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat de website van [bedrijf 2] hetzelfde zou zijn als die van [V.o.F.] . Ook betwisten zij de gemaakte berekening.
5.22.
De rechtbank is van oordeel dat 2D Business onvoldoende feiten heeft gesteld om een causaal verband tussen deze schade en de tekortkoming van [vennoten] te kunnen vaststellen. De gestegen omzet kan verklaard worden door meerdere door [vennoten] genoemde factoren. Voor zover dat causaal verband er al zou zijn, stuit de vordering af op artikel 6:98 BW Pro over de omvang van de aansprakelijkheid. Daarbij is van belang dat het hierbij gaat om zuivere vermogensschade in de vorm van geleden verlies, en dat deze schade niet voorzienbaar was op het moment dat [V.o.F.] tekort is geschoten in de nakoming, dat is op 1 november 2022. De opdracht aan [bedrijf 2] waaruit de gestegen omzet wordt afgeleid betreft immers dan een toekomstige gebeurtenis. Deze schade kan dan ook niet worden toegerekend aan de tekortkoming van [V.o.F.] .
5.23. 2
D Business vordert betaling van de hoofdsom vermeerderd met wettelijke handelsrente. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen.
5.24. 2
D Business vordert vergoeding van advocaatkosten en kosten van aangetekend verzenden van brieven als buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Uit de omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan vergoeding wordt gevorderd, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.
5.25.
De conclusie is dat de gevorderde schadevergoeding (vordering 3) moet worden afgewezen.
5.26. 2
D Business krijgt weliswaar gelijk in haar standpunt dat ontbinding van de overeenkomst terecht was en krijgt een bedrag toegewezen, maar de in deze procedure gevorderde hoge schadevergoeding wordt geheel afgewezen. Dit is reden voor de rechtbank om de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
In reconventie
5.27.
Uit de beoordeling in conventie volgt dat de voorwaarde waaronder de eis in reconventie is ingesteld is vervuld. Ook volgt daaruit dat geen meerwerk is overeengekomen, zodat de vorderingen moeten worden afgewezen.
5.28.
Als de in het ongelijk gestelde partijen moeten [vennoten] worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten worden begroot op € 836,00 (2 pt x 0,5 x tarief III) plus nakosten € 189,00 = € 1.025,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).

6.De beslissing

De rechtbank
In conventie
6.1.
veroordeelt [vennoten] hoofdelijk om aan 2D Business B.V. te betalen een bedrag van € 9.566,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 februari 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
6.5.
wijst de vorderingen af,
6.6.
veroordeelt [vennoten] in de proceskosten van € 1.025,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [vennoten] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [vennoten] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.7.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Voetnoten