ECLI:NL:RBZWB:2026:1204

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
23/12308 WW
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 WWArt. 64 WWArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning faillissementsuitkering wegens betalingsonmacht ex-werkgever

Eiseres was werkzaam bij een ex-werkgever die op 3 mei 2023 failliet werd verklaard. Na beëindiging van het dienstverband vroeg zij een faillissementsuitkering aan bij het UWV, die deze aanvankelijk weigerde omdat volgens het UWV niet vaststond dat de achterstallige loonbetalingen uitsluitend door betalingsonmacht niet konden worden geïnd.

De rechtbank beoordeelde of de uitzondering van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b van de WW van toepassing was. Dit artikel sluit uit dat een werknemer recht heeft op een faillissementsuitkering als het dienstverband al was geëindigd voordat de werkgever in blijvende betalingsonmacht raakte, tenzij de werknemer door die betalingsonmacht zijn loon niet kon innen ondanks voldoende voortvarende actie.

De rechtbank stelde vast dat eiseres haar ex-werkgever zowel mondeling als schriftelijk had aangesproken, contact had gezocht met haar rechtsbijstandsverzekeraar en dat het faillissement pas later werd uitgesproken. Hierdoor was sprake van voldoende voortvarende en gerichte actie. De rechtbank concludeerde dat de achterstallige loonbetalingen uitsluitend door betalingsonmacht niet konden worden geïnd en dat het UWV ten onrechte de uitkering had geweigerd.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond en droeg het UWV op een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het griffierecht en proceskosten aan eiseres toegekend.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat eiseres recht heeft op een faillissementsuitkering omdat zij tijdig en voortvarend heeft gehandeld en de achterstallige loonbetalingen uitsluitend door betalingsonmacht niet konden worden geïnd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/12308 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M. Griep),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 8 november 2023 (bestreden besluit) over de weigering aan haar een faillissementsuitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen.
1.1.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de vader van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

2. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het UWV terecht geweigerd heeft aan eiseres een faillissementsuitkering toe te kennen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Dat betekent dat het beroep gegrond is en eiseres gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
2.1.
Eiseres was sinds 1 november 2017 werkzaam bij [de ex-werkgever] . Dit dienstverband is met ingang van 1 december 2022 beëindigd. De ex-werkgever is op 3 mei 2023 failliet verklaard.
2.2.
Op 23 juni 2023 heeft eiseres bij het UWV een faillissementsuitkering aangevraagd. Met het primaire besluit van 10 juli 2023 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.3.
Met het bestreden besluit heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard. Het UWV stelt dat het dienstverband niet is beëindigd omdat de ex-werkgever eiseres niet meer kon betalen. Eiseres en de ex-werkgever waren het niet eens over de hoogte van het (achterstallig) loon. Eiseres heeft de ex-werkgever daar meerdere keren op aangesproken. Dit heeft niet geleid tot nabetaling. De communicatie tussen eiseres en ex-werkgever is verslechterd. Vervolgens heeft eiseres elders gesolliciteerd, is daar aangenomen en heeft ontslag genomen bij de ex-werkgever. Nadat eiseres de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd heeft zij nog overuren gemaakt. Zij verwachtte niet dat de ex-werkgever loon zou betalen, ondanks dat dat – volgens eiseres – wel zou kunnen gelet op de omzet. Uiteindelijk is er een vaststellingsovereenkomst opgesteld waarin is vermeld dat de ex-werkgever eiseres € 13.500,- (netto) zal betalen. Dit bestaat onder meer uit achterstallig salaris, vakantiegeld en cao-verhogingen. Volgens het UWV staat niet vast dat de omstandigheden die hebben geleid tot beëindiging van de dienstbetrekking ook hebben geleid tot faillissement van de ex-werkgever.
Bovendien staat volgens het UWV niet vast dat de achterstallige loonbetalingen uitsluitend door het bestaan van betalingsonmacht niet geldend gemaakt konden worden. Het is aannemelijk(er) dat de ex-werkgever het achterstallig loon niet volledig heeft uitbetaald vanwege meningsverschillen over onder andere de hoogte van het loon. Dit blijkt onder meer uit de verwachting van eiseres dat de ex-werkgever het loon/overuren niet zou betalen ondanks dat er (voldoende) geld was gezien de gegenereerde omzet.
2.4.
Eiseres heeft in beroep onder meer aangevoerd dat zij voldoet aan één van de uitzonderingen van artikel 62 van Pro de WW. Volgens eiseres is komen vast te staan dat de achterstallige loonbetalingen uitsluitend vanwege het bestaan van betalingsonmacht niet geldend gemaakt konden worden. Dit blijkt onder meer uit de verslaglegging van de curator. Tijdens het dienstverband met eiseres was er al sprake van een technisch faillissement van de ex-werkgever.
2.5.
Gelet op het beroepschrift van eiseres stelt de rechtbank vast dat het geschil uitsluitend betreft de vraag of een uitzondering als beschreven in artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW aan de orde is.
2.6.
Op grond van dat artikellid bestaat geen recht op faillissementsuitkering als de dienstbetrekking met de werkgever al was geëindigd voordat hij kwam te verkeren in een blijvende toestand dat hij was opgehouden te betalen, tenzij de werknemer een recht heeft op betaling van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of andere bedragen, dat geen verband houdt met die toestand en uitsluitend vanwege die toestand niet geldend kan worden gemaakt.
2.7.
De rechtbank stelt verder vast dat het UWV terzake in het verweerschrift een gewijzigde motivering heeft gegeven. Dit betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank zal bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven en overweegt daartoe het volgende.
2.8.
Het UWV heeft in het verweerschrift aangegeven dat eiseres vanaf juli 2021 loon en overige emolumenten vordert en dat zij haar ex-werkgever zowel mondeling als schriftelijk heeft gevraagd zijn betalingsverplichtingen na te komen. Niet is gebleken dat verdergaande rechtsmaatregelen zijn genomen, zoals het dagvaarden van ex-werkgever en daarna verdergaande mogelijkheden. Het is daarom volgens het UWV niet aannemelijk dat de achterstallige betalingen uitsluitend wegens het bestaan van betalingsonmacht van ex-werkgever niet geldend gemaakt konden worden waardoor er geen recht is op uitkering op grond van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b van de WW.
2.9.
In de rechtspraak is van beslissende betekenis geacht of aangenomen moet worden dat bij voldoende voortvarende en gerichte actie van de werknemer de werkgever de vordering reeds zou hebben voldaan indien deze niet in de toestand van blijvende betalingsonmacht zou zijn geraakt. Is van een dergelijke voortvarende en gerichte actie geen sprake geweest, dan ligt de conclusie in de rede dat het niet geldend kunnen maken van de vordering niet uitsluitend het gevolg is van betalingsonmacht en mist artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW toepassing. Daarbij is zowel van belang wat de werknemer heeft ondernomen om tot vaststelling van zijn aanspraak jegens de werkgever te komen als hetgeen hij vervolgens heeft gedaan om de aanspraak geldend te maken [1] .
2.10.
Eiseres heeft zelf haar ex-werkgever zowel mondeling als schriftelijk gevraagd zijn betalingsverplichtingen na te komen. In oktober 2022 heeft zij contact opgenomen met haar rechtsbijstandsverzekeraar. Deze heeft ook contact opgenomen met de ex-werkgever, echter zonder resultaat. In de eerste maanden van 2023 is overwogen het faillissement van de ex- werkgever aan te vragen maar die aanvraag is on hold gezet omdat de ex-werkgever betalingsregelingen had getroffen met de overige schuldeisers. Hierdoor was het voor eiseres niet mogelijk een steunvordering te verkrijgen. Op 3 mei 2023 is de ex-werkgever failliet verklaard.
2.11.
Gelet op de hiervoor vermelde pogingen de ex-werkgever ertoe te brengen de vordering alsnog te voldoen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een tijdige, voldoende voortvarende en gerichte actie van eiseres. Het is dan ook aannemelijk dat de achterstallige loonbetalingen uitsluitend wegens het bestaan van betalingsonmacht van ex- werkgever niet geldend gemaakt konden worden. Gelet op het gegeven dat het voor eiseres bij het ontbreken van een steunvordering niet mogelijk was het faillissement van de ex- werkgever aan te vragen, valt niet in te zien wat eiseres in redelijkheid meer had kunnen doen om haar vordering op ex-werkgever geldend te maken vóór het faillissement.
2.12.
Uit het voorgaande volgt dat het UWV ten onrechte met toepassing van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW heeft bepaald dat eiseres geen recht heeft op een faillissementsuitkering. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het UWV opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, waarbij het UWV alsnog zal moeten vaststellen wat de omvang van het recht van eiseres op grond van artikel 64, eerste lid, van de WW is.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt het UWV op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor verleende rechtsbijstand € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van
€ 934,- en wegingsfactor 1).
Daarnaast heeft eiseres recht op vergoeding van de reiskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 29,96 (53,5 km x 2 x € 0,28).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het UWV op om binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.897,96 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 24 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 oktober 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1924).