ECLI:NL:RBZWB:2026:1204
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning faillissementsuitkering wegens betalingsonmacht ex-werkgever
Eiseres was werkzaam bij een ex-werkgever die op 3 mei 2023 failliet werd verklaard. Na beëindiging van het dienstverband vroeg zij een faillissementsuitkering aan bij het UWV, die deze aanvankelijk weigerde omdat volgens het UWV niet vaststond dat de achterstallige loonbetalingen uitsluitend door betalingsonmacht niet konden worden geïnd.
De rechtbank beoordeelde of de uitzondering van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b van de WW van toepassing was. Dit artikel sluit uit dat een werknemer recht heeft op een faillissementsuitkering als het dienstverband al was geëindigd voordat de werkgever in blijvende betalingsonmacht raakte, tenzij de werknemer door die betalingsonmacht zijn loon niet kon innen ondanks voldoende voortvarende actie.
De rechtbank stelde vast dat eiseres haar ex-werkgever zowel mondeling als schriftelijk had aangesproken, contact had gezocht met haar rechtsbijstandsverzekeraar en dat het faillissement pas later werd uitgesproken. Hierdoor was sprake van voldoende voortvarende en gerichte actie. De rechtbank concludeerde dat de achterstallige loonbetalingen uitsluitend door betalingsonmacht niet konden worden geïnd en dat het UWV ten onrechte de uitkering had geweigerd.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond en droeg het UWV op een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het griffierecht en proceskosten aan eiseres toegekend.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat eiseres recht heeft op een faillissementsuitkering omdat zij tijdig en voortvarend heeft gehandeld en de achterstallige loonbetalingen uitsluitend door betalingsonmacht niet konden worden geïnd.