ECLI:NL:RBZWB:2026:1181

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
24/2930
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering WOZ-waarde woning wegens onvoldoende bewijs heffingsambtenaar

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €442.000. Na een eerste uitspraak op bezwaar werd de waarde verlaagd naar €361.000, maar een tweede uitspraak op bezwaar handhaafde de oorspronkelijke waarde. Belanghebbende was niet aanwezig bij de zitting van de rechtbank.

De rechtbank constateerde dat de tweede uitspraak op bezwaar niet mogelijk is binnen het gesloten stelsel van het belastingrecht en vernietigde deze. De rechtbank beschouwde de tweede uitspraak als een gewijzigd standpunt in beroep, waarbij de heffingsambtenaar de waarde van €442.000 verdedigde. De heffingsambtenaar slaagde er echter niet in deze waarde aannemelijk te maken.

Belanghebbende had geen concrete waarde voorgesteld, waardoor de rechtbank de waarde schattenderwijs vaststelde op €350.000. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraken op bezwaar, en bepaalde dat de aanslag OZB dienovereenkomstig moest worden verminderd. Tevens werd de heffingsambtenaar verplicht het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd tot €350.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig aangepast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/2930
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 januari 2024 en 16 februari 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak aan [adres] in [plaats] (hierna: de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 442.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [plaats] voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 januari 2024 het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de waarde van de woning verlaagd naar € 361.000. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar op 16 februari 2024 een tweede uitspraak op bezwaar gedaan waarin de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond heeft verklaard. De WOZ-beschikking is hierbij gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar deelgenomen: mr. B. de Smit. Belanghebbende is zonder kennisgeving aan de rechtbank niet verschenen.
1.4.
Belanghebbende is via het systeem Digitale Toegang op 20 november 2025 om 09.59 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een twee- onder- een- kapwoning met bouwjaar 1977.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de waarde van de woning te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Twee uitspraken op bezwaar
3.2.
De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar tweemaal uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Het nemen van een tweede uitspraak op bezwaar is, gezien het gesloten stelsel in het belastingrecht, niet mogelijk. [1] De rechtbank zal de tweede uitspraak op bezwaar, van 16 februari 2024, daarom vernietigen.
3.3.
Wel kan de heffingsambtenaar tijdens een beroepszaak, zoals in dit geval, zijn standpunt wijzigen. De rechtbank zal de tweede ‘uitspraak op bezwaar’ van de heffingsambtenaar daarom aanmerken als een ambtshalve gewijzigd en laatst ingenomen standpunt in beroep. Naar de rechtbank begrijpt verdedigt de heffingsambtenaar hiermee de beschikte waarde van € 442.000. Dit is door de heffingsambtenaar op zitting niet betwist. Nu de getaxeerde waarde slechts € 361.000 is, heeft de heffingsambtenaar de beschikte waarde van € 442.000 niet aannemelijk gemaakt.
De door belanghebbende voorgestane waarde van de woning
3.4.
Omdat de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of belanghebbende de door hem gestelde waarde aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend nu belanghebbende geen concrete waarde heeft voorgesteld.
Vaststelling van de waarde van de woning door de rechtbank
3.5.
Omdat beide partijen er niet in zijn geslaagd om de door hen voorgestelde waarde van de woning aannemelijk te maken, stelt de rechtbank de waarde in goede justitie vast. De rechtbank bepaalt de waarde van de woning op de waardepeildatum schattenderwijs op € 350.000.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de bij beschikking vastgestelde waarde moet worden verminderd tot € 350.000. De aanslag OZB moet dienovereenkomstig worden verminderd.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot een bedrag van € 350.000;
- vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516.