ECLI:NL:RBZWB:2026:1181
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning wegens onvoldoende bewijs heffingsambtenaar
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €442.000. Na een eerste uitspraak op bezwaar werd de waarde verlaagd naar €361.000, maar een tweede uitspraak op bezwaar handhaafde de oorspronkelijke waarde. Belanghebbende was niet aanwezig bij de zitting van de rechtbank.
De rechtbank constateerde dat de tweede uitspraak op bezwaar niet mogelijk is binnen het gesloten stelsel van het belastingrecht en vernietigde deze. De rechtbank beschouwde de tweede uitspraak als een gewijzigd standpunt in beroep, waarbij de heffingsambtenaar de waarde van €442.000 verdedigde. De heffingsambtenaar slaagde er echter niet in deze waarde aannemelijk te maken.
Belanghebbende had geen concrete waarde voorgesteld, waardoor de rechtbank de waarde schattenderwijs vaststelde op €350.000. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraken op bezwaar, en bepaalde dat de aanslag OZB dienovereenkomstig moest worden verminderd. Tevens werd de heffingsambtenaar verplicht het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd tot €350.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig aangepast.