ECLI:NL:RBZWB:2026:1180

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/59 WHT
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 4.3 WhtArt. 155 Boek 6 BWArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding al betaalde schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, diende een aanvraag in voor vergoeding van al betaalde schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister wees deze aanvraag af omdat de schulden vóór ontvangst van compensatie waren voldaan en niet voldeden aan de wettelijke voorwaarden, waaronder het ontbreken van schuldbewijzen en een notariële akte voor informele leningen.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat alleen schulden die na ontvangst van compensatie zijn afgelost voor vergoeding in aanmerking komen. Eiseres betoogde dat ook schulden die vóór ontvangst van compensatie zijn betaald vergoed moeten worden, maar dit verweer faalt op grond van de tekst en de parlementaire geschiedenis van de Wht.

Verder stelde eiseres dat zij schulden niet dubbel had ingediend, maar de rechtbank volgt de minister in de conclusie dat sommige schulden dubbel zijn aangemeld binnen een schuldbemiddelingstraject. Ook het beroep op de hardheidsclausule en het betwisten van de eis van een notariële akte voor informele leningen worden verworpen, omdat de wetgever deze eis bewust heeft gesteld en er geen bijzondere omstandigheden zijn die toepassing ervan in dit geval onbillijk maken.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om vergoeding van de al betaalde schulden af. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de vergoeding van al betaalde schulden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/59 WHT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

de minister van Financiën, verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor het vergoeden van al betaalde schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de afgeloste schulden van eiseres niet heeft vergoed. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor de vergoeding van al betaalde schulden. Deze aanvraag is met het besluit van 10 juli 2024 (primair besluit) afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 15 november 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. [persoon 1] namens de minister.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Op 31 januari 2024 heeft eiseres een compensatiebedrag van € 30.000,- ontvangen. Zij heeft bij de Sociale Banken Nederland (SBN) op 12 februari 2024 een aanvraag ingediend voor vergoeding van al betaalde schulden. Op de door haar ingediende schuldenlijst staan 11 schulden.
3.1.
Met het primaire besluit heeft de bestuurder van SBN, namens de Belastingdienst/Toeslagen, aangegeven dat de opgegeven schulden niet voor terugbetaling in aanmerking komen.
Dit primaire besluit ziet op de volgende reeds betaalde schulden:
- DUO voor een bedrag van € 1.045,98;
- Alwel;
- Flanderijn inzake VGZ voor een bedrag van € 1.721,62;
- Infomedics voor een bedrag van € 3.775,83;
- Flanderijn voor een bedrag van € 3.872,76;
- Trust Krediet Beheer voor een bedrag van € 479,41;
- Yards voor een bedrag van € 563,47;
- BWB Belastingen voor een bedrag van € 601,-;
- Kredietbank West-Brabant voor een bedrag van € 9.413,41;
- Alimentatie;
- [persoon 2] voor een bedrag van € 4.500,-.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bestreden besluit
3.2.
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Met betrekking tot de schulden aan Infomedics, Trust Krediet Beheer, Yards,
Kredietbank West Brabant, DUO, Flanderijn inzake VGZ, Flanderijn en BWB Belastingen heeft de minister overwogen dat eiseres deze schulden heeft betaald vóórdat zij haar compensatie op 31 januari 2024 ontving. Dat betekent dat deze schulden niet voldoen aan artikel 4.3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wht en daarom niet voor terugbetaling in aanmerking komen.
Daarnaast heeft de minister met betrekking tot voorgenoemde schulden overwogen dat eiseres daarvan geen schuldbewijzen heeft overgelegd, zodat niet kan worden beoordeeld of de schuld voldoet aan de voorwaarden die artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Wht stelt ten aanzien van de ontstaansdatum en de datum van opeisbaarheid.
Verder heeft de minister overwogen dat de schuld aan Kredietbank West Brabant een minnelijke schuldregeling betreft waar de schulden aan DUO, Alwel, Flanderijn inzake VGZ en BWB Belastingen onderdeel zijn. In de schuld van Flanderijn zit ook de betaling aan Flanderijn inzake VGZ die eiseres ook separaat als schuld heeft aangemeld. Deze schulden zijn dan ook twee keer ingediend.
Eiseres heeft aangegeven dat zij aanspraak heeft op alimentatie, maar dat haar ex-partner sinds begin 2019 geen alimentatie betaalt. Het betreft hier dus geen schuld van eiseres en kan dus niet worden terugbetaald.
De schuld aan [persoon 2] betreft een lening van eiseres bij haar vader. Dit is een zogenoemde informele schuld. Op basis van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht geldt voor een informele schuld als extra voorwaarde dat deze moet zijn vastgelegd in een notariële akte of moet blijken uit een rechterlijke uitspraak. De wetgever heeft bewust gekozen voor het stellen van de eis van een notariële akte bij een informele schuld [1] . Voor de schuld aan de vader van eiseres ontbreekt een notariële akte of gerechtelijke uitspraak, zodat deze niet aan voorgenoemde vereiste voldoet.
Verder zijn er geen stukken aangeleverd waaruit blijkt dat de schuld is opgeëist, zodat ook niet wordt voldaan aan artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Daarnaast heeft eiseres geen betaalbewijzen aangeleverd waarop zichtbaar is dat zij de schuld aan haar vader terugbetaalt. Niet gebleken is dus dat eiseres de schuld heeft terugbetaald na ontvangst van de compensatie, zodat niet is gebleken dat de schuld voldoet aan artikel 4.3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wht.

Beroepsgronden

4. Eiseres erkent dat in artikel 4.3, derde lid, van de Wht gesproken wordt over “na ontvangst van het bedrag (…)”, maar dat neemt volgens haar niet weg dat het eerste lid van dit artikel verwijst naar artikel 4.1, eerste lid, van de Wht en daar het recht verbonden is aan het in aanmerking komen voor compensatie. Het is dus mogelijk dat ook voordat daadwerkelijk compensatie is ontvangen een gedupeerde recht heeft op grond van de “al betaalde schulden”-regeling.
Verder is eiseres van mening dat zij schulden niet twee keer heeft aangemeld.
Tot slot is eiseres van mening dat het eisen van een notariële akte voor de lening van de vader niet te rijmen is met de aannemelijkheidsnorm die voor de herstelregelingen geldt. Daarnaast had de minister de hardheidsregeling toe kunnen passen. Het eisen van een notariële akte is volstrekt irreëel en buitengewoon onbillijk. Het eisen van een notariële akte gaat verder dan het civiele bewijsrecht waar voor het bewijs van een geldlening geen notariële akte wordt geëist. De minister had eiseres en haar vader onder ede kunnen horen.

Juridisch kader

5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of de minister terecht de door eiseres al betaalde schulden niet heeft vergoed. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Geldt de voorwaarde dat de schulden betaald zijn vóórdat eiseres compensatie heeft ontvangen?
7. In artikel 4.1 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen van private schulden. Een van de voorwaarden is dat de schuld niet is voldaan op het moment van de aanvraag. [2] In afwijking van die voorwaarde is in artikel 4.3 van de Wht een bepaling opgenomen voor compensatie van al afgeloste private schulden. Op grond van dit artikel komt een private schuld die is betaald na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel [3] in aanmerking voor compensatie, als ook aan de overige voorwaarden van artikel 4.1 is voldaan.
7.1
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft betwist dat de schulden aan Infomedics, Trust Krediet Beheer, Yards, Kredietbank West-Brabant, DUO, Flanderijn inzake VGZ, Flanderijn en BWB Belastingen reeds waren betaald vóórdat zij op 31 januari 2024 compensatie ontving.
7.2.
Eiseres heeft gesteld dat het bestreden besluit gebaseerd is op een verkeerde lezing van artikel 4.3 van de Wht. Op grond van artikel 4.3, eerste lid, van de Wht is het volgens eiseres mogelijk om schulden te vergoeden die betaald zijn vóórdat zij compensatie ontving.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de tekst van artikel 4.3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wht en de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wht blijkt namelijk dat de wetgever een gemotiveerde keuze heeft gemaakt om onder de regeling van artikel 4.3 van de Wht alleen al afgeloste schulden te compenseren die betaald zijn met een bedrag dat vanuit de hersteloperatie is ontvangen. Al betaalde schulden vallen in beginsel niet onder de private schuldenregeling, maar daarop is een uitzondering gemaakt in het geval de ouder eerst een herstelbedrag heeft ontvangen en nadien de schuld betaalt. De achtergrond daarvan is dat een ontvangen compensatie zoveel mogelijk moet worden ontzien, om te voorkomen dat geld dat bedoeld is voor herstel, wordt aangewend om schulden te voldoen. De wetgever heeft dus duidelijk beoogd om verschil te maken tussen afgeloste private schulden die wel, en afgeloste private schulden die niet gecompenseerd worden. Dat verschil is afhankelijk gemaakt van de mogelijkheid om gelden van bijvoorbeeld de Catshuisregeling besteedbaar te houden, zodat zoveel mogelijk een nieuwe start kan worden gemaakt. [4]
De minister heeft dan ook terecht overwogen dat de onder 7 genoemde schulden niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat niet wordt voldaan aan het vereiste in artikel 4.3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wht.
Zijn er schulden dubbel ingediend?
8. Eiseres heeft betwist dat zij schulden twee keer heeft aangemeld.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat op de overgelegde lijst met schulden welke zijn meegenomen in het schuldbemiddelingstraject bij de Kredietbank West-Brabant de schulden aan DUO, Alwel, Flanderijn inzake VGZ en BWB Belastingen staan.
De minister heeft terecht opgemerkt dat de bedragen op dit overzicht niet overeenkomen met de bedragen die door eiseres zijn opgegeven en dat op het overzicht kenmerkende gegevens bij de schulden ontbreken. De rechtbank kan de minister echter ook volgen in zijn overweging dat geen nadere stukken zijn ontvangen waaruit de specifieke details van de schulden binnen het schuldbemiddelingstraject blijken. Hoewel specifieke informatie ontbreekt, mocht de minister dan ook op basis van voorgenoemde lijst met schulden aannemen dat de betreffende schulden tweemaal zijn aangemeld.
Mocht de minister een notariële akte als bewijs vragen?
9. Voor informele schulden geldt op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht als voorwaarde voor overname dat de schuld is vastgelegd in een notariële akte die is opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Het bestaan van de schuld kan ook blijken uit een rechterlijke uitspraak, mits de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van vóór 1 juni 2021.
9.1.
De eis van een notariële akte is vervat in de Wht, een wet in formele zin. Het zogenoemde toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet staat eraan in de weg dat de rechter een wettelijke bepaling toetst aan algemene rechtsbeginselen. De rechtbank kan dan alleen oordelen dat de toepassing van een wettelijk vereiste in een individueel geval achterwege moet blijven, als er sprake is van bijzondere omstandigheden. [5] Het moet dan gaan om een bijzondere omstandigheid die de wetgever bij de totstandbrenging van de wettelijke bepaling niet of niet ten volle heeft verdisconteerd in zijn afweging. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
9.2.
De eis van een notariële akte als bewijs van het bestaan van een informele schuld en van betalingsafspraken is bewust in de wet opgenomen, om zoveel mogelijk zeker te stellen dat alleen daadwerkelijk bestaande én opeisbare achterstanden worden overgenomen. Uit de parlementaire geschiedenis bij de Wht volgt namelijk dat bij de totstandkoming van de Wht is onderzocht of er een andere invulling gegeven kon worden aan de eis van een notariële akte. Zo heeft het gewijzigd amendement [6] van de leden Omtzigt en Leijten geleid tot het uitvoeren van een uitvoeringstoets door SBN. SBN is na die uitvoeringstoets tot de conclusie gekomen dat het amendement niet uitvoerbaar is vanwege het feit dat informele leningen moeilijk zijn te verifiëren, waarna de staatssecretaris van Financiën het aannemen van het amendement heeft ontraden. [7] Bij de behandeling in de Eerste Kamer is vervolgens een motie ingediend [8] waarin de regering is verzocht om met een regeling te komen waarbij het mogelijk wordt om ook op een andere manier dan een notariële akte bewijs te leveren van de door de ouders aangegane (in)formele leningen. Naar aanleiding van deze motie heeft SBN op 13 januari 2023 een nadere analyse opgesteld. [9] In deze analyse is geconcludeerd dat de bewijslast voor het vaststellen van achterstanden zeer ingewikkeld blijft, dat daar een zeer complex en intensief proces van beoordeling door SBN voor nodig zou zijn en dat een verruiming van de bewijslast zou leiden tot verwachtingen die niet kunnen worden waargemaakt. Bij brief van 18 maart 2024 heeft de staatssecretaris vragen beantwoord naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2024 [10] . In die brief wordt het dilemma van het vaststellen van de lening en de opeisbare achterstanden op eenduidige, objectieve en uitvoerbare wijze aangehaald. Er wordt verwezen naar voornoemde onderzoeken, waaruit blijkt dat er geen uitvoerbaar alternatief is. [11]
De bij de parlementaire behandeling geuite bezwaren hebben niet geleid tot een wijziging van de in de Wht neergelegde eis van een notariële akte. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het kennelijk de uitdrukkelijke wens van de wetgever is geweest om deze eis in de Wht op te nemen. Er is op het punt van de eis van de notariële akte dan ook geen sprake van een omstandigheid die niet of niet ten volle is verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ook geoordeeld in de uitspraken van 15 mei 2024 [12] .
9.3.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de eis van een notariële akte heeft mogen stellen om het bestaan van de schuld van eiseres bij haar vader aan te tonen en om te kunnen beoordelen of sprake is van opeisbare achterstanden.
Omdat zich hier geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of toepassing van artikel 4.1, tweede lid en onder b, en derde lid en onder b, van de Wht zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, dat die toepassing in het voorliggende geval achterwege zou moeten blijven. [13]
9.4.
Nu niet in geschil is dat eiseres de informele schuld bij haar vader niet in een notariële akte heeft neergelegd en ook geen sprake is van een rechterlijke uitspraak, heeft de minister in beginsel terecht gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor compensatie van deze schuld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Slaagt het beroep van eiseres op de hardheidsclausule?
10. Zoals de Afdeling in de uitspraken van 15 mei 2024 heeft overwogen kunnen er zich bijzondere situaties voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarvoor gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. Van vorenbedoelde authentieke documenten is in het geval van eiseres echter niet gebleken. De door eiseres overgelegde geldleningsovereenkomst is niet als zodanig aan te merken, terwijl verklaringen onder ede, van haar en haar vader, zoals door eiseres voorgesteld, hiermee niet op één lijn kunnen worden gesteld. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister terecht de afgeloste schulden van eiseres niet heeft vergoed. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 24 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1
1. Onze Minister van Financiën neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, op wie artikel 4.6 of 4.7 niet van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
c. een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen;
d. de bij een geldschuld bijkomende kosten;
e. een geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en
f. bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk 3.
(…)
Artikel 4.3
1. Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.
(…)
3. De compensatie wordt verleend voor een geldschuld en kosten die zijn voldaan door een aanvrager als bedoeld in het eerste lid, diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c of de ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend:
a. na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 dan wel de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid; of
(…)

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7.
2.Artikel 4.1, tweede lid, onder c, van de Wht.
3.Zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht.
4.Kamerstukken II- 2021-2022, 36 151, nr. 3.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:772).
6.Kamerstukken II, 2022-2023, 36 151, nr. 23.
7.Brief staatssecretaris 3 oktober 2022, Kamerstukken II, 2022-2023, 36 151, nr. 30, blz. 1.
8.Kamerstukken II, 2022-2023, 36 151.
9.Bijlage bij de voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen 4e kwartaal 2022.
11.Aanhangsel Handelingen II, 2023/24, nr. 1263.
13.Zie de uitspraken van de Afdeling van 1 maart 2023 en 15 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2024:2045).