ECLI:NL:RBZWB:2026:1127

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
25/4612 PW
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. de Weijze
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 ParticipatiewetArt. 7:12 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArtikel 8 Beleidsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ Breda 2016
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kwijtschelding openstaande schuld wegens onredelijk beleid afgewezen door gemeente Breda

Eiseres verzocht het college van burgemeester en wethouders van Breda om kwijtschelding van een openstaande schuld. Het college wees dit verzoek af op grond van fraude en het beleid dat kwijtschelding in dergelijke gevallen uitsluit. Eiseres stelde dat zij vanwege haar leeftijd, financiële situatie en voortdurende aflossingen sinds 2021 in aanmerking zou moeten komen voor kwijtschelding.

De rechtbank oordeelde dat het beleid van het college, dat kwijtschelding bij fraude volledig uitsluit, niet redelijk is en niet voldoet aan de toets van redelijke beleidsbepaling zoals vastgesteld door de Centrale Raad van Beroep. Hierdoor ontbrak het bestreden besluit aan een deugdelijke motivering en was het besluit vernietigbaar.

De rechtbank vernietigde het besluit en droeg het college op binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiseres. De rechtbank gaf het college in overweging om in overleg te treden met eiseres voor een minnelijke oplossing.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt gegrond verklaard en het besluit van het college wordt vernietigd met opdracht tot een nieuwe beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4612 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. Oztas),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda(het college), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om kwijtschelding van een openstaande schuld. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 wordt het standpunt van het college vermeld. De beroepsgronden van eiseres worden onder 4 vermeld. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage.

Procesverloop

2. Eiseres heeft het college verzocht om een kwijtschelding van een openstaande schuld. Bij besluit van 20 mei 2025 (primair besluit) heeft het college het verzoek van eiseres afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juli 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college de afwijzing gehandhaafd.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en, [de dochter van eiseres] . Voor het college is niemand verschenen.

Standpunt college

3. Het college heeft het verzoek om kwijtschelding afgewezen omdat de schuld is ontstaan door fraude. Dit is conform het beleid van de gemeente Breda . Eiseres komt evenmin op grond van artikel 58, zevende lid, van de Participatiewet voor kwijtschelding in aanmerking. Verder zijn er geen andere feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om alsnog kwijtschelding te verlenen. Van dringende redenen is geen sprake.

Beroep

4. Eiseres stelt dat er redenen zijn op grond waarvan het restant van de vordering kwijtgescholden moet worden. Er is sprake van medische en financiële redenen. Zij is 71 jaar, ontvangt enkel een bescheiden AOW- en/of pensioeninkomen en heeft sinds 2021 onafgebroken aan haar aflossingsverplichting voldaan. Verdere invordering leidt tot een onevenredige belasting van haar gezondheid en bestaanszekerheid. Eiseres voert aan dat het beleid van het college onredelijk is.

Beoordeling door de rechtbank

5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres ten tijde van de bestreden besluitvorming niet voldeed aan de voorwaarden in artikel 58, zevende lid, van de Participatiewet. Het college is op grond van deze bepaling daarom in beginsel niet bevoegd om van verdere terugvordering af te zien. In artikel 8 van Pro de beleidsregels [1] van het college is bepaald in welke gevallen het college van verdere terugvordering kan afzien.
5.1.
Bij de beoordeling van de vraag of het door het college gevoerde beleid met betrekking tot verzoeken tot kwijtschelding de toets van een redelijke beleidsbepaling kan doorstaan acht de rechtbank het volgende van belang. Artikel 8 van Pro de beleidsregels sluit toepassing van de kwijtscheldingsbevoegdheid ten aanzien van terugvorderingen wegens fraude geheel uit. Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan een beleidsregel, die toepassing van een bij wet geregelde begunstigende bevoegdheid volledig uitsluit, de toets van een redelijke beleidsbepaling niet doorstaan. [2]
5.2.
Omdat het bestreden besluit berust op toepassing van beleid dat in 5.1 als kennelijk onredelijk is gekwalificeerd, ontbeert het een deugdelijke motivering. Dit betekent dat het beroep van eiseres gegrond is en dat het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het college wordt opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij dient het college in te gaan op de stelling van eiseres dat gezien haar leeftijd, de omstandigheid dat zij structureel op of onder het bestaansminimum leeft, zij sinds 2021 onafgebroken aan haar aflossingsverplichting heeft voldaan en verdere invordering tot een onevenredige belasting van haar gezondheid en bestaanszekerheid leidt, van (gedeeltelijke) terugvordering moet worden afgezien. De rechtbank geeft het college in overweging om in overleg te treden met eiseres om te bezien of een minnelijke oplossing kan worden bereikt.

Conclusie en gevolgen

6
.Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Het college wordt opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,- .
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 19 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Artikel 58. Terugvordering, leden 1 en 7
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(…)
7. In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien, indien de persoon van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd:
a. gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende tien jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost.
Beleidsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ Breda 2016
Artikel 8. Kwijtschelding na het voldoen aan de betalingsverplichting
In afwijking van artikel 58 en Pro 59 Participatiewet en artikel 25 en Pro 26 IOAW en IOAZ, kan het college besluiten van gehele of gedeeltelijke terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, met uitzondering van de gevallen waarbij de vordering door fraude is ontstaan, indien de belanghebbende:
gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of
gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of
gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
een bedrag, overeenkomend met ten minste 60% van de restsom in één keer aflost;
naar het oordeel van het college op grond van dringende redenen voor kwijtschelding in aanmerking komt.

Voetnoten

1.Beleidsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ Breda 2016
2.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2020:3387, Centrale Raad van Beroep, 18/1772 PW