ECLI:NL:RBZWB:2026:1125

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/2481
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 8:54 AwbArt. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar inkomstenbelasting 2021 door termijnoverschrijding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2021, maar dit bezwaar werd door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. De rechtbank bevestigt dat het bezwaar niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ingediend en dat deze termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is.

Belanghebbende stelde dat het aanslagbiljet onjuist was geadresseerd en daardoor niet tijdig is ontvangen. De aanslag was verzonden naar een adres in Frankrijk dat volgens belanghebbende niet haar woonadres was sinds 2011. De inspecteur heeft echter aangetoond dat het aanslagbiljet is verzonden naar het adres dat bekend was in de Basisregistratie Personen (BRP) en het kadaster, omdat belanghebbende geen tijdige adreswijziging had doorgegeven.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur naar redelijkheid onderzoek heeft gedaan en dat de verzending naar het in de BRP bekende adres voldoet aan de vereisten voor geldige bekendmaking. Omdat belanghebbende geen verschoonbare reden heeft aangevoerd voor de te late indiening, blijft het bezwaar niet-ontvankelijk en is het beroep ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2481

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Frankrijk), belanghebbende

(gemachtigde: mr. R.A.A. Maat),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 maart 2025. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2021 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.16.01.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
Bekendmaking van de aanslag
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na dagtekening van het besluit, tenzij de dag van de dagtekening gelegen is voor de dag van de bekendmaking. [2] In dat geval vangt de termijn voor het maken van bezwaar aan op de dag na de datum waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [3]
3.1.
Indien de bekendmaking van de aanslag plaatsvindt door toezending van het aanslagbiljet, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. De bezwaartermijn gaat dan lopen met ingang van de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen voor de dag van terpostbezorging. Een uitzondering wordt gemaakt wanneer het aanslagbiljet de belastingschuldige niet heeft bereikt en dit het gevolg is van een fout van de belastingdienst. Hierbij kan gedacht worden aan een verkeerde adressering die aan de Belastingdienst te wijten is. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat de bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. [4]
3.2.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het aanslagbiljet onjuist is geadresseerd. Als gevolg daarvan heeft zij het aanslagbiljet niet tijdig ontvangen. Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst het aanslagbiljet niet rechtsgeldig aan haar is bekendgemaakt. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling hiervan bepalend is of die onjuiste adressering aan de Belastingdienst is te wijten. [5]
3.3.
De aanslag is verzonden naar het [adres 1] in Frankrijk. Belanghebbende stelt echter dat zij – sinds 2011 – woonachtig is op het [adres 2] te [plaats] in Frankrijk. De aanslag is namelijk verzonden naar de woning van de moeder van de ex-echtgenoot. Via de dochter van belanghebbende heeft de aanslag belanghebbende met enige vertraging bereikt, waardoor belanghebbende stelt dat de aanslag niet op de juiste wijze is bekendgemaakt. Gemachtigde van belanghebbende heeft een uittreksel van het kadaster – stand 17 maart 2025 – ingediend, waaruit moet blijken dat belanghebbende niet stond ingeschreven op het adres waar de Belastingdienst de aanslagen naar heeft verzonden.
3.4.
De inspecteur stelt dat de onjuiste adressering geen toerekenbare fout is aan de zijde van de Belastingdienst. De inspecteur heeft dit onderbouwd door schermafbeeldingen van de systemen en een uittreksel van het kadaster – stand 3 maart 2025 – in te dienen. Uit de systemen van de Belastingdienst moet blijken dat belanghebbende niet tijdig een adreswijziging heeft doorgegeven aan het BRP (basisregistratie personen). Indien belanghebbende een adreswijziging niet tijdig doorgeeft aan het BRP of de Belastingdienst, kan de inspecteur niet worden verweten kennis te hebben van een juist adres van belanghebbende.
3.5.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur naar redelijkheid onderzoek heeft gedaan voor het verzenden van de aanslag. De aanslag is verzonden naar het adres dat bekend was in het BRP en het kadaster (stand 3 maart 2025). In het bezwaarschrift van belanghebbende de dato 5 februari 2025 heeft belanghebbende wel aangegeven dat zij het – bij de Belastingdienst bekende – adres heeft geprobeerd te wijzigen, maar dit niet kon zonder een DigiD. De onjuiste adressering op het aanslagbiljet is niet te wijten aan de inspecteur. De rechtbank oordeelt eveneens dat de verzending van het aanslagbiljet naar het in het BRP bekende adres ervoor zorgt dat de aanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Het bezwaar tegen de aanslag is daarom niet binnen de bezwaartermijn ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
4. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaar verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan de niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
4.1.
Belanghebbende heeft aangegeven dat zij te laat een bezwaarschrift heeft ingediend, omdat de aanslag niet naar het juiste adres is verzonden. Belanghebbende stelt dat het gaat om een aan de inspecteur te wijten omstandigheid. De inspecteur heeft echter aannemelijk gemaakt dat hij naar redelijkheid onderzoek heeft gedaan naar het adres van belanghebbende. Belanghebbende heeft verder geen redenen aangevoerd waaruit moet blijken dat het gaat om een onjuiste bekendmaking van de aanslag of een andere reden voor een verschoonbare termijnoverschrijding in de bezwaarfase.

Conclusie en gevolgen

5. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:8 van Pro de Awb.
4.Hoge Raad 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063, r.o. 3.2 en Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, r.o. 3.3.4.
5.Hoge Raad 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1885, r.o. 3.4.2.