ECLI:NL:RBZWB:2026:103
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in belastingzaak
Op 12 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker een voorlopige voorziening heeft aangevraagd tegen een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting. Verzoeker had eerder beroep aangetekend tegen een uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst, maar verzocht nu om zijn beroep direct gegrond te verklaren en om de stukken van de inspecteur buiten beschouwing te laten. De rechtbank heeft het verzoekschrift van verzoeker doorgestuurd naar de inspecteur en verzocht om een reactie. Echter, verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om geen verdere reactie van de inspecteur af te wachten en direct uitspraak te doen.
De voorzieningenrechter heeft besloten om geen zitting te houden en direct uitspraak te doen, omdat het verzoek kennelijk ongegrond was. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat er geen spoedeisend belang was dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigde. Verzoeker had aangevoerd dat de inspecteur onrechtmatig handelde en dat er sprake was van een spookprocedure, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat deze argumenten onderdeel uitmaakten van de beroepsgronden in de bodemprocedure en dat er geen reden was voor een voorlopige voorziening. Het verzoek is afgewezen en er is geen proceskostenvergoeding toegekend aan verzoeker.