Uitspraak
Rechtbank ZEELAND- WEST-BRABANT
1.Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken
- het misdrijf overdragen en/of voorhanden hebben van behuizing van een F-1 granaat, zijnde een explosief, te [plaats] , [regio] , eind februari 2019;
- het misdrijf overdragen en/of voorhanden hebben van 21 patronen 5,45 mm, zijnde munitie, te [plaats] , [regio] , eind maart 2019;
- het misdrijf overdragen en/of voorhanden hebben van een behuizing van een F-1 granaat, zijnde een explosief, en een lont voor handgranaten, te [plaats] , [regio] , op of omstreeks 5 juni 2019;
- het misdrijf overdragen en/of voorhanden hebben van ene behuizing van een granaat F-1 en een lont voor handgranaten, te [plaats] , [regio] , en/of in de buurt van de halte ‘Kation’ van de stad Chmelnytsky, op of omstreeks 21 juni 2019;
- het misdrijf verkopen en/of aanwezig hebben van 54,95 gr. softdrugs (cannabis), te [plaats] , [regio] , gepleegd op of omstreeks 5 juni 2019;
- het misdrijf verkopen en/of aanwezig hebben van 88,39 gr. softdrugs (cannabis), te [plaats] , [regio] , gepleegd op of omstreeks 13 juni 2019;
- het misdrijf verkopen en/of aanwezig hebben van 5,213 gr. softdrugs (cannabis), te [plaats] , [regio] , gepleegd op of omstreeks 21 juni 2019.
- het vereiste door de daartoe bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat gegeven bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon, betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
- de vereiste uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
- de vereiste tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften;
- de vereiste stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en zijn nationaliteit;
- informatie betreffende bewijs van schuld;
- informatie betreffende het verloop van de verjaringstermijn.
- een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 december 2025, betreffende de opgeëiste persoon;
- stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding en de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon;
- de schriftelijke vordering van de officier van justitie te Zeeland- West-Brabant van 18 september 2025, bij de rechtbank ingekomen op 22 januari 2026, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek, alsmede inhoudende de vordering tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon;
- de schriftelijke samenvatting van de officier van justitie te Zeeland- West-Brabant, overgelegd ter zitting op 4 februari 2026, houdende diens opvatting omtrent de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek;
- de pleitnotities van de raadsman van de opgeëiste persoon, overgelegd ter zitting op 4 februari 2026.
2.Het onderzoek ter zitting
3.Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering
toelaatbaarheidvan de uitlevering, terwijl de Minister dient te beslissen of het verzoek wordt
ingewilligd(waarbij de Minister overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering). Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden die de UW en de verdragen kennen zijn onderworpen aan het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de UW volgt - enkel bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is derhalve vele malen beperkter dan dat van de Minister. De uitleveringsrechter kan de Minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren.
kanhebben gepleegd.
dreigendeinbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van Pro het EVRM voorbehouden aan de Minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een
voltooideinbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.
dreigendeschending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en / of artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR), in de regel niet aan de uitleveringsrechter is. Hierop kan een uitzondering bestaan indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een
flagranteinbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het IVBPR ten dienste staat. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt echter niet snel dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
voltooideschending van artikel 6 van Pro het EVRM, komt de uitleveringsrechter in de regel niet toe, omdat pas na de berechting in de
dreigende schendingvan artikel 3 EVRM Pro. Conform de bestendige jurisprudentie is hiervoor de Minister aan zet, wanneer hij toetst of het uitleveringsverzoek ingewilligd kan worden.
dreigendeschending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro onder voorwaarden bij haar beoordeling van de toelaatbaarheid van een uitlevering betrekken. De rechtbank hanteert dit toetsingskader tegen de achtergrond dat Oekraïne en Nederland allebei lid zijn van het EUV. Zij zijn in beginsel verplicht om de opgeëiste persoon uit te leveren aan het andere verdragsland. Ook neemt zij als uitgangspunt dat hierbij het vertrouwensbeginsel van toepassing is en dat zowel op de feitelijke als juridische mededelingen gedaan en garanties gegeven door de verzoekende staat Oekraïne dient te worden vertrouwd.
flagranteschending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, noch dat de opgeëiste persoon daartegen geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM ter dienste staat. Het beroep wordt derhalve verworpen.