Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. De betrokkene had een administratieve sanctie opgelegd gekregen voor het rijden van 11 km per uur te hard op de N261 te Tilburg op 22 juni 2023. De officier van justitie had het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard, waarna de betrokkene in beroep ging bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 25 november 2025 was de betrokkene niet aanwezig, maar zijn gemachtigde had een pro-forma beroep ingediend en verzocht om een termijn voor het indienen van nadere gronden. De rechtbank had deze termijn tot 5 november 2024 gesteld, maar er waren geen aanvullende gronden ontvangen.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging waarvoor de boete was opgelegd, voldoende was vastgesteld op basis van de verklaring van de verbalisant. De rechtbank erkende echter dat er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar had geduurd. De boete werd daarom met 25% gematigd. De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd, en het bedrag dat de betrokkene te veel had betaald, moest worden terugbetaald. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend, waarbij rekening werd gehouden met samenhang met een andere zaak van dezelfde betrokkene.
De kantonrechter verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond, matigde de boete tot € 78,- plus administratiekosten, en droeg de officier van justitie op om het te veel betaalde bedrag van € 26,- terug te betalen aan de betrokkene. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 226,75. De uitspraak werd openbaar uitgesproken door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels.