In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de proceskostenvergoeding in een WOZ-zaak. De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de WOZ-waarde van een onroerende zaak en had daarbij een vergoeding van € 620,- voor de kosten van het bezwaar gekregen. De gemachtigde van de belanghebbende heeft echter beroep ingesteld tegen deze proceskostenvergoeding, omdat er geen vergoeding was toegekend voor het taxatierapport. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze grond slaagt en heeft een vergoeding van € 128,26 toegekend voor het taxatierapport. Daarnaast heeft de rechtbank de door de heffingsambtenaar toegepaste vergoeding van € 310,- per punt als onjuist beoordeeld en vastgesteld dat de heffingsambtenaar had moeten uitgaan van € 624,- per punt. Hierdoor bedraagt de totale proceskostenvergoeding in de bezwaarfase € 1.376,26.
De rechtbank heeft ook het verzoek van de belanghebbende om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat het geschil uitsluitend over proceskosten gaat en niet is aangetoond dat het belang meer dan € 1.000,- bedraagt. De heffingsambtenaar is veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht van € 51,- aan de belanghebbende. De uitspraak is openbaar uitgesproken en kan door partijen worden aangevochten in hoger beroep bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch binnen zes weken na bekendmaking.