Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:9436

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
25/2476
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij herziening bijstandsuitkering

Eiser ontving sinds april 2019 een bijstandsuitkering. In oktober 2024 werd deze uitkering over mei 2024 herzien en per juni 2024 ingetrokken, waarna een bedrag van €3.915,66 werd teruggevorderd. Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten. In maart 2025 werden de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard, waarbij de terugvordering werd verlaagd tot €3.390,98 en de intrekking over een deel van september 2024 werd gehandhaafd.

Eiser stelde beroep in tegen dit bestreden besluit. Tijdens de zitting in december 2025 gaf het college aan dat aan eiser met terugwerkende kracht vanaf oktober 2023 een WIA-uitkering was toegekend. Hierdoor stelde het college dat eiser geen procesbelang meer had bij het beroep.

De rechtbank oordeelde dat procesbelang vereist is om ontvankelijk te zijn in het beroep en dat een louter formeel belang onvoldoende is. Eiser kon niet aangeven welk belang hij nog had bij het beroep. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na toekenning van een WIA-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2476 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.J. van der Meulen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.

Inleiding

1. Eiser ontving sinds 2 april 2019 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Met een besluit van 3 oktober 2024 (primair besluit I) is het recht op bijstand over mei 2024 herzien en per 1 juni 2024 ingetrokken. Met een besluit van 7 oktober 2024 (primair besluit II) is van eiser een bedrag van € 3.915,66 aan ten onrechte verleende bijstand teruggevorderd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen primaire besluiten I en II.
1.1.
Met het besluit van 11 maart 2025 (bestreden besluit) zijn eisers bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard. Eisers bijstandsuitkering over augustus 2024 wordt herzien. Het college handhaaft niet zijn beslissing om de uitkering over de periode van 1 september 2024 tot en met 8 september 2024 in te trekken. De terugvordering wordt verlaagd tot een bedrag van € 3.390,98.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en (via een digitale verbinding) mr. A.D.M. Rombouts namens het college.

Beoordeling door de rechtbank

2. Het college heeft bij brief van 22 oktober 2025 aan de rechtbank meegedeeld dat aan eiser met terugwerkende kracht vanaf 14 oktober 2023 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is toegekend. In verband hiermee heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang meer heeft.
2.1.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie uitspraak van 28 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:380) vloeit voort dat pas sprake is van procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
2.2.
Eiser heeft (ook ter zitting) niet kunnen aangeven of en zo ja welk belang hij heeft bij een beoordeling van een beroep tegen het bestreden besluit. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van A.M.H. Meulensteen, griffier, op 30 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.