Op 18 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over een verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster, als bewindvoerder van betrokkene, had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van de gemeente Tholen om de woning van betrokkene te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De sluiting was bedoeld voor vier maanden, ingaande op 8 december 2025, na de vondst van harddrugs in de woning op 31 juli 2025. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om schorsing van het sluitingsbesluit toegewezen, met de overweging dat het tijdsverloop van meer dan vier maanden tussen de vondst van de drugs en de sluiting een belangrijke rol speelde. De voorzieningenrechter betwijfelde de geschiktheid en noodzaak van de sluiting, aangezien er onvoldoende bewijs was voor daadwerkelijke handel vanuit de woning en de burgemeester niet had aangetoond dat sluiting noodzakelijk was. De voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van betrokkene, die een kwetsbare vrouw is, zwaarder wogen dan de belangen van de gemeente. De burgemeester werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan verzoekster. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat geen hoger beroep of verzet open.