In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 januari 2025. In die uitspraak is bepaald dat verweerder binnen 12 weken na het verweerschrift van 14 november 2024 moet beslissen op de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres stelt beroep in omdat verweerder dat volgens haar niet heeft gedaan. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en doet uitspraak zonder zitting, zoals mogelijk gemaakt door artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn opnieuw een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiseres. De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin is bepaald dat in dergelijke gevallen een nadere beslistermijn van 60 weken kan worden opgelegd.
De rechtbank legt een dwangsom op van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,- voor het niet tijdig nemen van een besluit. Daarnaast moet verweerder het griffierecht van € 53,- en een proceskostenvergoeding van € 453,50 aan eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande op 22 december 2025 en openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.