In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 17 februari 2025. In die uitspraak staat dat verweerder binnen negen weken moet beslissen op de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens haar niet heeft gedaan. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting, zoals mogelijk gemaakt door artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn opnieuw een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiseres. De rechtbank bepaalt dat verweerder dit alsnog moet doen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak. Verweerder heeft verzocht om een langere beslistermijn, maar de rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. De wettelijke beslistermijn is op 29 november 2024 verstreken, wat betekent dat verweerder uiterlijk op 23 januari 2026 een besluit moet nemen. De rechtbank legt een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres krijgt ook een vergoeding voor haar proceskosten van € 453,50. De uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, en is openbaar gemaakt op 22 december 2025.