ECLI:NL:RBZWB:2025:9021

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/5732
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.14 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 27h AWRArt. 28 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aftrekbaarheid van kosten vuurwerkincident binnen resultaat uit overige werkzaamheden

Belanghebbende voerde in 2003 activiteiten uit in de vuurwerkhandel, waaronder het aanbrengen van klanten en de verkoop van vuurwerk, wat de rechtbank aannemelijk acht op basis van verklaringen en omstandigheden. Een vuurwerkincident in 2004 leidde tot een civielrechtelijke veroordeling tot betaling van een schadevergoeding, die belanghebbende in de jaren daarna deels heeft voldaan.

De rechtbank stelt vast dat de verkoop van het gevaarlijke professionele vuurwerk binnen de uitoefening van de werkzaamheden viel en niet in de privésfeer. De kosten die verband houden met de civiele schadevergoeding zijn daarom aftrekbaar als kosten in het kader van resultaat uit overige werkzaamheden, maar de kosten gerelateerd aan de strafrechtelijke procedure zijn niet aftrekbaar.

De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar van de inspecteur en vermindert de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2018 naar een belastbaar inkomen van €186.194. Tevens wordt de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en krijgt belanghebbende een vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2018 wordt verminderd tot een belastbaar inkomen van €186.194 en de belastingrentebeschikking wordt dienovereenkomstig aangepast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5732
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 juni 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 272.578.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 17.122 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV over jaar 2018 tot een te hoog bedrag is opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of belanghebbende de betaalde schadevergoeding en andere uit de civiele en strafrechtelijke procedures voortvloeiende kosten in aftrek mocht brengen op het resultaat uit overige werkzaamheid. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag IB/PVV over het jaar 2018 tot een te hoog bedrag vastgesteld. De inspecteur heeft de door belanghebbende in 2018 betaalde bedragen aan schadevergoeding ten onrechte niet in aftrek toegestaan
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende was van 1998 tot en met 2006 fulltime in dienstbetrekking bij [N.V.]
3.1.
Belanghebbende was in 2003 betrokken bij de verkoop van zwaar vuurwerk aan een persoon. Deze persoon is op 1 januari 2004 gewond geraakt bij een ongeval met dat vuurwerk (het vuurwerkincident). In verband hiermee is belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in de strafzaak overwogen dat het feitelijk professioneel vuurwerk betrof met opschriften als 'Niet voor particulier gebruik!’ en 'Uitsluitend voor professioneel gebruik’. Het hof achtte het aan particulieren ter beschikking stellen van dergelijk vuurwerk in zijn algemeenheid extreem gevaar zettend.
3.2.
Belanghebbende had een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren bij Nationale Nederlanden afgesloten. De aansprakelijkheid in verband met de uitoefening van een (neven)bedrijf of (neven)beroep viel niet onder de dekking. Nationale Nederlanden heeft verklaringen afgenomen van onder meer de heer [naam] (de vuurwerkhandelaar) en belanghebbende. Nationale Nederlanden heeft op 20 september 2004 aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen beroep kan doen op de aansprakelijkheidsverzekering, omdat Nationale Nederlanden tot het oordeel is gekomen dat belanghebbende een nevenberoep c.q. nevenbedrijf erop na heeft gehouden uit welke hoedanigheid de schade aan het slachtoffer van het vuurwerkincident is ontstaan.
3.3.
In 2015 is belanghebbende in een civielrechtelijke procedure wegens het vuurwerkincident veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 397.984,14 aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het vonnis in 2019 bekrachtigd.
3.4.
Als gevolg van de civielrechtelijke veroordeling heeft belanghebbende in de kalenderjaren 2014 tot en met 2017 € 251.307,52 aan schadevergoeding betaald. In het kalenderjaar 2018 heeft belanghebbende € 86.383,35 aan schadevergoeding betaald.
3.5.
Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2018 in verband met het vuurwerkincident de volgende kosten ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden gebracht:
Schadevergoeding vuurwerkincident betaald tm 2018
€ 297.313
Proceskosten Ned. Rekencentrum Letselschade
€ 8.017
Advocaat en advieskosten
€ 50.547
Rente schadeclaim NRL
€ 32.360

Motivering

Geschil en standpunten van partijen
4. In geschil is of de activiteiten van belanghebbende in 2003 die zagen op de handel in vuurwerk kwalificeren als een bron van inkomen. Zo ja, dan zijn partijen het erover eens dat het gaat om resultaat uit overige werkzaamheden. Partijen houdt dan verdeeld of de verkoop van het zware vuurwerk aan het slachtoffer van het vuurwerkincident binnen de uitoefening van die werkzaamheid heeft plaatsgevonden en als gevolg daarvan de daarmee gepaarde kosten aftrekbaar zijn. Tot slot zijn partijen het niet eens of alle van de onder 3.4 genoemde kosten in 2018 voor aftrek in aanmerking komen.
4.1.
Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat hij vanaf 1998 contact had met een vuurwerkhandelaar. Belanghebbende was ter promotie aanwezig in de zaak van de vuurwerkhandelaar. In eerste instantie deed belanghebbende dit als een vriendendienst. Later leverde belanghebbende tegen betaling klanten aan vanuit zijn netwerk en verkocht hij ook zelf vuurwerk voor de vuurwerkhandelaar. Hij had dummy’s thuis liggen die klanten konden bekijken en op basis daarvan een bestelling konden plaatsen. Belanghebbende ontving een provisie als hij bekenden als klanten aanbracht bij de vuurwerkhandelaar. Het ging om ongeveer 30 tot 40 klanten per jaar en behoorlijk wat inkomen. Daarnaast heeft hij ook zelf vuurwerk gekocht en verkocht zonder vergunning. Soms vroegen klanten om groter vuurwerk dan waarvan hij dummy’s had. Dat ging niet via de vuurwerkhandelaar. Met de verkoper van het vuurwerk dat het vuurwerkincident heeft veroorzaakt, had hij vaker contact gehad. De gerealiseerde inkomsten heeft hij volgens hem als resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven.
4.2.
Belanghebbende voert verder aan dat hij van plan was om samen met de vuurwerkhandelaar een vuurwerkwinkel te openen in [plaats 2] en dat daarvoor eind 2003 al vergevorderde plannen waren gemaakt. Samen met de vuurwerkhandelaar had hij al een opslagloods op het oog en ook bestonden er plannen om voor verschillende partijen vuurwerkpakketten voorzien van een logo op de markt te brengen. Daarover was al gesproken met (de adviseur van) de directie van [voetbalclub] en andere partijen.
4.3.
Belanghebbende stelt dat hij beoogde om inkomsten te behalen met de vuurwerkhandel en dat was gezien marges die worden behaald op de verkoop van vuurwerk ook te verwachten. Na het vuurwerkincident is de samenwerking met de vuurwerkhandelaar niet meer doorgegaan. Belanghebbende betoogt dat in 2003 echter wel sprake was van een bron van inkomen. De kosten als gevolg van het vuurwerkincident zijn naar zijn mening daarom aftrekbaar. De kosten konden pas in aanmerking worden genomen op het moment dat de rechter uitspraak had gedaan en de zaak definitief was gesloten. De gehele kosten dienen daarom in 2018 in aanmerking te worden genomen.
4.4.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat in 2003 geen sprake was van een bron van inkomen. Het beogen van voordeel is hiervoor onvoldoende en belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. Er is geen administratie, ondernemersplan, marktonderzoek of cijfermatige prognoses overgelegd. Ook heeft belanghebbende zich niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel of een BTW-nummer aangevraagd en de inspecteur betwist ook dat destijds inkomsten uit vuurwerkhandel zijn aangegeven. Subsidiair betoogt de inspecteur dat de kosten naar hun aard privékosten zijn, omdat het ter beschikking stellen van illegaal vuurwerk zodanig buiten de normale uitoefening van de werkzaamheid lag dat de privésfeer overheersend wordt. Meer subsidiair stelt de inspecteur dat, indien sprake is van een bron van inkomen, slechts de kosten in aftrek kunnen worden gebracht die voortvloeien uit de schadevergoeding die daadwerkelijk in 2018 is betaald. De kosten en lasten die verband houden met de strafrechtelijke procedure zijn van aftrek uitgesloten.
Bron van inkomen
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een bron van inkomen wanneer belanghebbende (i) met de door hem ontplooide activiteiten deelneemt aan het economische verkeer, (ii) hij daarmee het oogmerk heeft voordeel te behalen en (iii) dit voordeel redelijkerwijs te verwachten is. Gelet op het aangegeven negatieve resultaat uit overige werkzaamheden rust de bewijslast hiervan op belanghebbende. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de tweede voorwaarde is voldaan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of voordeel redelijkerwijs te verwachten was en of er activiteiten in het economische verkeer hebben plaatsgevonden.
4.6.
Voor de vraag of sprake was van een bron van inkomen in 2003 is niet zozeer relevant of en in hoeverre belanghebbende plannen had om een onderneming op te zetten in de vuurwerkhandel. Het vuurwerkincident heeft plaatsgevonden in het kader van de activiteiten die belanghebbende al uitvoerde in 2003 en was niet gerelateerd aan de geplande activiteiten. Van belang is dus of de in 2003 bestaande activiteiten een bron van inkomen vormden. Er zijn geen stukken beschikbaar waaruit kan worden opgemaakt dat in 2003 sprake was van een bron van inkomen. Zo zijn er geen administratie, aangiften, facturen of andere onderliggende stukken van transacties beschikbaar. De rechtbank acht op basis van de geloofwaardige verklaringen van belanghebbende en de vuurwerkhandelaar ten aanzien van zijn activiteiten in de vuurwerkhandel (zie onderdeel 4.1 tot en met 4.3) echter toch aannemelijk dat hij klanten heeft geworven en vuurwerk heeft ingekocht en verkocht. Daarbij acht de rechtbank relevant dat de vuurwerkhandelaar ook al in 2004 tegenover Nationale Nederlanden heeft verklaard dat belanghebbende klanten bij hem aanbracht en ook veel vuurwerk bij hem kocht dat niet alleen voor belanghebbende zelf bestemd was en dat belanghebbende korting kreeg op dat vuurwerk. Dit terwijl die verklaring op dat moment niet in het voordeel van belanghebbende was. Schade die voortkwam uit de uitoefening van een (neven) bedrijf of beroep was immers uitgesloten van de verzekering.
4.7.
Ook acht de rechtbank aannemelijk dat met de handel in vuurwerk redelijkerwijs een voordeel kan worden verwacht en dat belanghebbende vergoedingen heeft ontvangen voor de door hem omschreven activiteiten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op de verkoop van vuurwerk over het algemeen een positieve marge wordt behaald. Belanghebbende liep ook (nog) niet de risico’s die gepaard gaan met een vuurwerkwinkel. Hij trad op als tussenpersoon tussen de kopers en verkopers van vuurwerk en verdiende daaraan. De activiteiten van belanghebbende vonden niet plaats binnen de persoonlijke sfeer, maar waren gericht op deelname aan het economische verkeer. Naar het oordeel van de rechtbank was in 2003 sprake van een bron van inkomen.
Vond de verkoop van het zware vuurwerk plaats binnen de werkzaamheid?
4.8.
De verkoop van het zwaardere professionele vuurwerk aan het slachtoffer van het vuurwerkincident was gevaarzettend. Dat wil naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet per definitie zeggen dat deze verkoop niet plaatsvond binnen het kader van belanghebbendes werkzaamheden in de vuurwerkhandel. Dat de activiteiten van belanghebbende grote risico’s met zich bracht, betekent niet zonder meer dat het was gericht op de persoonlijke belangen of behoeften van belanghebbende. Het uitvoeren van risicovolle werkzaamheden in het economische verkeer kan ook onderdeel zijn van de normale uitoefening van die werkzaamheid, zoals bijvoorbeeld het geval is met vele criminele activiteiten. De kosten uit hoofde van de schadeplichtigheid en de beweegredenen voor de verkoop van dit zwaardere professionele vuurwerk liggen naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet in de privésfeer. [1] Het toebrengen van de schade vond dus plaats binnen de uitoefening van belanghebbendes activiteiten in de vuurwerkhandel. Partijen zijn het voor dat geval er terecht over eens dat de kosten als gevolg van het vuurwerkincident binnen het resultaat uit overige werkzaamheid vallen.
De aftrekbaarheid van de kosten
4.9.
Kosten en lasten die verband houden met misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige door een Nederlandse strafrechter bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld, komen niet voor aftrek in aanmerking. [2] De kosten die belanghebbende heeft gemaakt in verband met de strafrechtelijke procedure komen daarom niet voor aftrek in aanmerking.
4.10.
Voorts overweegt de rechtbank dat belanghebbende in 2015 door de civiele rechter is veroordeeld tot het betalen van de schadevergoeding. Dit vonnis was uitvoerbaar bij voorraad. Belanghebbende heeft naar aanleiding van deze veroordeling in de jaren 2014 tot en met 2017 reeds betalingen verricht. Naar het oordeel van de rechtbank had belanghebbende deze kosten en de overige gemaakte kosten in het jaar van betaling in aanmerking moeten nemen. In het jaar 2018 kunnen daarom nog slechts de kosten in aftrek worden gebracht die belanghebbende in 2018 betaald heeft. Belanghebbende kon in 2018 dus een bedrag van € 86.383,35 in aftrek brengen. De inspecteur heeft dit bedrag ten onrechte niet in aftrek toegestaan.
Belastingrente
5. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, dient de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig te worden verminderd.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de aanslag IB/PVV over het jaar 2018 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 186.194. De belastingrentebeschikking wordt dienovereenkomstig verminderd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.108.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 186.194 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.108,- aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier, op 18 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [3]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 19 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1946.
2.Artikel 3.14, eerste lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
3.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.