Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank stelt voorop dat het beroep van eiseres is gericht tegen het bestreden besluit van 29 november 2023. In dat besluit heeft het college de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 8 mei 2023 (waarbij een last onder dwangsom is opgelegd) en tegen het besluit van 5 juli 2023 (waarbij die dwangsom is ingevorderd) gegrond verklaard. Het college heeft de begunstigingstermijn van de opgelegde last onder dwangsom aangepast en het invorderingsbesluit ingetrokken. Bij besluit van 15 februari 2024 heeft het college uiteindelijk zowel het besluit van 8 mei 2023 als het bestreden besluit van 29 november 2023 ingetrokken.
6. Eiseres stelt – samengevat – dat zij schade heeft geleden als gevolg van het handelen van het college. In deze procedure kan de rechtbank alleen beoordelen of eiseres schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit van 29 november 2023, de twee onderliggende primaire besluiten van 8 mei 2023 en 5 juli 2023 en/of – op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – als gevolg van het intrekkingsbesluit van 15 februari 2024.
7. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat het haar gaat om het gehele handhavingstraject, inclusief het handelen van de gemeentelijke handhavers. Als voorbeeld noemt eiseres de mail van de heer [persoon] van 20 september 2023 aan de verhuurder. Volgens eiseres blijkt uit de gehele gang van zaken dat sprake is van structureel overheidsfalen. Dit gaat naar het oordeel van de rechtbank echter buiten de omvang van dit geding. De rechtbank dient zich te beperken tot de beoordeling van de rechtmatigheid van voormelde specifieke besluiten van het college. Dat betekent dat een aantal verzoeken die door eiseres zijn gedaan niet binnen het kader van deze beroepsprocedure kunnen worden behandeld. Zo kan de bestuursrechter niet in algemene zin oordelen dat de gemeente aansprakelijk is voor haar handelen jegens eiseres en ook geen onafhankelijk onderzoek naar de gang van zaken (laten) instellen. Ook het toetsen van de rechtsgeldigheid van de verleende machtigingen gaat buiten de omvang van dit geding. Bij de controle op 18 april 2023 is er namelijk geen gebruik gemaakt van een machtiging. Dit is wel het geval geweest bij de controle op 24 mei 2023, die heeft geleid tot het besluit tot invordering. Na een heroverweging in bezwaar is dit invorderingsbesluit echter door het college ingetrokken in het besluit van 29 november 2023. Dit geldt ook voor de stellingen van eiseres met betrekking tot schending van privacyrechten en andere fundamentele rechten en datalekken. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat en hoe dit verband houdt met de door haar bestreden besluiten.
8. De rechtbank begrijpt dat eiseres stelt dat zij (althans haar medewerkers) schade heeft (hebben) geleden als gevolg van het handelen van de gemeentelijke handhavers tijdens de controle op 24 mei 2023. Als tijdens die controle onregelmatigheden hebben plaatsgevonden maakt dat het daaraan voorafgaande besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom van 8 mei 2023 nog niet onrechtmatig. Eiseres heeft wel de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de gemeente als zij meent dat sprake is geweest van onheuse bejegening of ander klachtwaardig gedrag.
Bevoegdheid van de bestuursrechter
9. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, onder a van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
10. Uit artikel 8:89 Awb volgt dat de bestuursrechter in beginsel niet bevoegd is als de gevraagde schadevergoeding meer dan € 25.000,- bedraagt en die schade is veroorzaakt door een besluit dat tot de competentie behoort van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) of het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).
11. De rechtbank overweegt dat eiseres stelt dat de schade, door haar voorlopig begroot op € 396.500,-, is veroorzaakt door de opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan. Die besluiten behoren tot de competentie van de ABRvS. Eiseres heeft desgevraagd haar vordering ter zitting gematigd tot € 25.000,-. Derhalve acht de rechtbank zich bevoegd om over de vordering te oordelen.
Is sprake van een (of meerdere) onrechtmatig(e) besluit(en)?
12. Vast staat dat op grond van de omgevingsvergunning van 18 augustus 2020 maximaal zes personen in het pand mogen worden gehuisvest. Uit een constateringrapport van 19 april 2023, opgemaakt op ambtsbelofte, volgt dat op 18 april 2023 tijdens een controle is vastgesteld dat er in het pand twaalf slaapplaatsen in gebruik waren. Naar aanleiding hiervan heeft het college op 8 mei 2023 de last onder dwangsom opgelegd aan eiseres. De rechtbank overweegt dat uit het constateringrapport volgt dat de toezichthouders op vrijwillige basis binnen zijn gelaten en dat de aangetroffen personen zelf hebben verklaard dat er twaalf slaapplaatsen in gebruik waren. Zij hebben dat blijkens het rapport verklaard in het bijzijn van een tolk. Dat bij deze controle gebruik is gemaakt van Google Translate, zoals eiseres ter zitting heeft gesteld, is niet gebleken.
13. De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid voor het bewijs, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden vastgesteld of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
14. De rechtbank overweegt dat het constateringrapport van 19 april 2023 de eigen waarnemingen van de handhaver weergeven en ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om hieraan te twijfelen. Eiseres werpt allerlei vragen op over de gang van zaken rondom de verschillende controles die in het pand (en andere panden) hebben plaatsgevonden, maar ter zitting heeft zij desgevraagd niet betwist dat er op
18 april 2023 meer dan zes personen in het pand waren gehuisvest. Nu nergens uit blijkt dat de controle van 18 april 2023 niet rechtmatig was, staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat het voorschrift dat aan de omgevingsvergunning is verbonden door eiseres is overtreden.
15. De rechtbank merkt op dat de gang van zaken rondom de controle van
24 mei 2023, waar een groot deel van de beroepsgronden van eiseres op is gericht, geen rol speelt in deze beoordeling nu deze controle niet ten grondslag ligt aan het besluit van
8 mei 2023 om een last onder dwangsom op te leggen. Voor de vermoedens van eiseres dat sprake zou zijn van manipulatie van gemeentelijke stukken ziet de rechtbank overigens geen aanknopingspunten.
16. Als sprake is van een overtreding geldt de beginselplicht tot handhaving.
Dat betekent dat het dagelijks bestuur in de regel, gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, van haar bevoegdheid om handhavend op te treden gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van de beginselplicht tot handhaving worden afgeweken. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
De rechtbank overweegt dat concreet zicht op legalisatie hier niet aan de orde is en dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is dat het college hiervan had moeten afzien. Van disproportionele handhaving is de rechtbank niet gebleken. Voor de berichtgeving in de media kan het college niet verantwoordelijk worden gehouden.
17. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dan ook dat niet is gebleken dat het besluit van 8 mei 2023 tot oplegging van de last onder dwangsom onrechtmatig is. Dat het college de begunstigingstermijn na de heroverweging in bezwaar heeft verlengd, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Het college heeft dit gebrek met het bestreden besluit namelijk hersteld.
Voor het invorderingsbesluit van 5 juli 2023 geldt dat het college dit besluit in het bestreden besluit heeft ingetrokken vanwege de verlenging van de begunstigingstermijn verbonden aan de last onder dwangsom. Dit maakt dit invorderingsbesluit niet op voorhand onrechtmatig jegens eiseres. Bovendien was de intrekking van het invorderingsbesluit in het voordeel van eiseres, omdat zij hierdoor met terugwerkende kracht nooit gehouden was om een dwangsom van € 25.000,- te vergoeden. Voor het intrekkingsbesluit van 15 februari 2024 geldt dat hiervan de onrechtmatigheid evenmin is komen vast te staan. Het college is immers hiertoe overgegaan vanwege de ontruiming van het pand als gevolg van de uitspraak van de civiele rechter. Het college heeft hiermee niet erkend dat zijn bestuursrechtelijke besluiten onrechtmatig waren.
18. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat eiseres het causaal verband tussen de door haar gestelde schade en voormelde besluiten ook onvoldoende heeft onderbouwd. Gezien het procesverloop heeft eiseres daartoe wel ruimschoots de gelegenheid gehad.