ECLI:NL:RBZWB:2025:8908

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
BRE 24 _ 5851
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde van een woning met agrarische bestemming

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 december 2025, wordt het beroep van de belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 26 juni 2024 beoordeeld. De heffingsambtenaar had de waarde van de onroerende zaak, een vrijstaande woning met agrarische bestemming, vastgesteld op € 625.000. De belanghebbende betwist deze waarde en stelt dat de woning slechts € 393.000 waard is. De rechtbank heeft de zaak op 18 november 2025 behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van de belanghebbende als de heffingsambtenaar en een taxateur aanwezig waren.

De rechtbank concludeert dat geen van beide partijen erin is geslaagd om de voorgestane waarde aannemelijk te maken. De rechtbank stelt vast dat de waarde van de woning schattenderwijs op € 600.000 moet worden vastgesteld, rekening houdend met de agrarische bestemming en de beperkingen die deze met zich meebrengt. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de WOZ-waarde van de woning tot € 600.000. Tevens wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de belanghebbende en moet het griffierecht worden vergoed.

De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing. De rechtbank wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5851
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] , verbonden aan [bedrijf] ),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 26 juni 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres 1] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 625.000. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende (onder andere) een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Moerdijk voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de waardebeschikking en de aanslag OZB ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de gemachtigde [persoon 1] en namens de heffingsambtenaar, [persoon 2] en [taxateur 1] (taxateur).

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een vrijstaande woning uit 1954 van 165 m², met een berging van 33 m², een serre van 18m² en een schuur van 570 m² op een perceel van 7.650 m².
2.1.
Ter plaatse van de woning gold op de waardepeildatum het bestemmingsplan ‘Buitengebied Moerdijk’. Het bestemmingsplan is digitaal en openbaar raadpleegbaar in het Omgevingsloket via omgevingswet.overheid.nl. De (geanonimiseerde) weergave van de vermelding van de woning van belanghebbende in deze database ziet er zo uit (waarbij het perceel van belanghebbende paars is omlijnd):
2.2.
De totale oppervlakte van de grond die is begrepen onder de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – voormalig agrarisch bedrijf’ is 2.650 m².
2.3.
In artikel 3 ‘Agrarisch’ onder 3.1. ‘Bestemmingsomschrijving’ van het bestemmingsplan staat – voor zover hier van belang – het volgende:
"De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
een volwaardig of een reëel agrarisch bedrijf, een agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd of agrarische activiteiten op niet-bedrijfsmatige wijze dat kan bestaan uit één of meerdere hoofdtakken zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder b, e, f en h;
(…)
opslag van agrarische producten ten behoeve van omliggende agrarische bedrijven;
(…)
een paardenbak, uitsluitend op de gronden welke zijn gelegen binnen het bouwvlak of de bouwstede;
nevenactiviteiten, met dien verstande dat:
1.
maximaal 400 m2 van de bedrijfsgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van de nevenactiviteit, tenzij onder 2 anders is bepaald;
2.
uitsluitend de navolgende nevenactiviteiten zijn toegestaan:

extensieve dagrecreatie;

ambachtelijke bedrijvigheid, in de vorm van be- en verwerking van agrarische producten, zoals een kaasmakerij, uitsluitend binnen bedrijfsgebouwen, mits de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel';

agrarisch aanverwante bedrijven welke zijn opgenomen in categorie 1 en 2 van Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten, uitsluitend binnen bedrijfsgebouwen, mits de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel';

opslag en stalling van agrarische en niet-agrarische producten, goederen en materialen uitsluitend in de bestaande gebouwen tot een maximale oppervlakte van 1.000 m2, mits de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel';

museum en tentoonstellingsruimte, uitsluitend binnen bedrijfsgebouwen;

kleinschalige horeca ten dienste van extensieve dagrecreatie, zoals een theetuin of proeverij van streekproducten tot een maximale oppervlakte van 100 m2, zowel binnen als buiten de bedrijfsgebouwen;

kinderboerderij;

paardenstalling/paardenpension;

kano-, roeiboot- of fietsenverhuur;

sociale functie (resocialisatie, therapie, zorgboerderij en kinderopvang;

verkoop van streekeigen agrarische producten uitsluitend binnen bedrijfsgebouwen, mits de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m2;

bermverkoop van zelf geteelde agrarische producten, mits de oppervlakte niet meer bedraagt dan 20 m2 en parkeren op eigen terrein plaatsvindt;

veearts uitsluitend binnen de bestaande gebouwen;

hoefsmederij uitsluitend binnen de bestaande gebouwen;

hoveniersbedrijf van maximaal milieucategorie 2 uitsluitend binnen de bestaande gebouwen;

nevenactiviteiten welke zijn opgenomen in de navolgende tabel en die zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteiten':
Adres
Toegestane nevenactiviteit
[adres 2]
Loonbedrijf en fouragehandel met een oppervlakte van maximaal 1.300 m²
3. nevenactiviteiten niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' en op gronden waar enkel agrarische activiteiten op niet-bedrijfsmatige wijze worden uitgeoefend;
bedrijfswoning, met dien verstande dat:
1.
het aantal bedrijfswoningen niet meer mag bedragen dan 1 per bouwvlak of bouwstede dan wel niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen';
2.
ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
(…)
geluidwerende voorzieningen.
met daarbij behorende:
toegangswegen, -paden, onverharde paden en overig verblijfsgebied;
parkeervoorzieningen;
groenvoorzieningen;
waterhuishoudkundige voorzieningen;
erven en tuinen behorende bij bedrijfswoningen tot maximaal 50 m uit de grens van het bouwvlak of de bouwstede.”
2.4.
In artikel 3 ‘Agrarisch’ onder 3.2. ‘Specifieke bouwregels wordt in hoofdlijnen beschreven welke specifieke bouwregels gelden voor gronden met een agrarische bestemming. Paragraaf 3.2.1 ‘Algemeen’ luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
" Voor het bouwen van bebouwing gelden de volgende regels:
er is ten hoogste 1 bedrijf per bouwvlak of bouwstede toegestaan;
op de gronden in en rondom de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bouwstede' is een bouwstede toegestaan, met dien verstande dat:
1.
de oppervlakte van de bouwstede niet meer mag bedragen dan 1,5 ha dan wel niet meer dan is opgenomen ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)';
2.
de langste zijde van de bouwstede niet meer mag bedragen dan 150 m dan wel niet meer dan is opgenomen ter plaatse van de aanduiding 'maximum lengte (m)';
3.
indien de bouwsteden met elkaar verbonden zijn door middel van de aanduiding 'relatie', dan is het bepaalde onder 2 niet van toepassing;
de voorgevelrooilijn van de bouwstede en het bouwvlak mag niet met bouwwerken worden overschreden, tenzij het betreft:
1.
tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, funderingen, balkons, erkers en entreeportalen, mits de overschrijding niet meer dan 1,25 m bedraagt;
2.
andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt;
3.
terrein- en erfafscheidingen, mits de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedraagt;
4.
voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing;
5.
een bouwstede met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorgevelrooilijn';
6.
bouwwerken voor bermverkoop, mits de oppervlakte niet meer bedraagt dan 20 m2;
op de gronden welke niet zijn gelegen ter plaatse van:
1.
het bouwvlak;
2.
de bouwstede;
3.
de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - solitaire schuur';
zijn uitsluitend toegestaan:

terrein- en erfafscheidingen;

voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing;

lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;

lage, permanente teeltondersteunende voorzieningen mits gelegen direct aansluitend buiten bouwvlakken/bouwstedes, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'overigezone - groenblauwe mantel' de oppervlakte hiervan maximaal 3 ha mag bedragen;

hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' of de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht', en

bestaande hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen.
uitbreiding van bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd, agrarische activiteiten op niet-bedrijfsmatige wijze en voormalige agrarische bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' zoals is bedoeld in lid 3.1 is niet toegestaan, met uitzondering van bedrijfswoningen en bijbehorende aan- en uitbouwen;
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' zijn uitsluitend de bestaande bedrijfsgebouwen toegestaan, met dien verstande dat uitbreiding van de oppervlakte van gebouwen uitsluitend is toegestaan indien de gebouwen worden gebruikt voor de voor de uitoefening van een volwaardig of reëel agrarisch bedrijf dat kan bestaan uit één of meerdere hoofdtakken zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder b, e, f en h, niet zijnde een veehouderij;
(…)
de oppervlakte van bebouwing ten behoeve van mestbewerking mag niet meer bedragen dan 120 m2;
de vestiging van, uitbreiding van en omschakeling naar en een toename van de oppervlakte dierenverblijf van geitenhouderijen is niet toegestaan;"
2.5.
In artikel 3 ‘Agrarisch’ onder 3.4. ‘Specifieke gebruiksregels’ wordt in hoofdlijnen beschreven welke specifieke gebruiksregels gelden voor gronden met een agrarische bestemming en onder 3.4.1. ‘Strijdig gebruik’ staat welk gebruik van agrarische gronden in ieder geval strijdig is met de bestemming.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Tegen de aanslag OZB zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd. Een beroep tegen de waardebeschikking is echter tegelijk ook een beroep tegen de aanslag OZB. [1] Het oordeel over de aanslag OZB volgt daarom het oordeel over de waarde van de woning.
3.2.
Belanghebbende bepleit een waarde van € 393.000. De heffingsambtenaar verdedigt de bij uitspraak op bezwaar gehandhaafde waarde van € 625.000.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen van beide partijen erin is geslaagd om de voorgestelde waarde van de woning aannemelijk te maken. Daarom bepaalt de rechtbank schattenderwijs zelf de waarde van de woning. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt, op welke waarde de beschikking moet worden vastgesteld en welke gevolgen het oordeel van de rechtbank verder heeft.
Motivering
Toetsingskader van de rechtbank
4. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".
Onderbouwing van de waarde door de heffingsambtenaar
4.1.
De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep een taxatiematrix ten grondslag gelegd. In de taxatiematrix is de waarde van de woning vastgesteld op € 648.000. Als referentieobjecten zijn gebruikt de objecten aan [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] . In de matrix zijn de referentieobjecten vergeleken met de woning. De bijlage bij de taxatiematrix bevat foto’s van de referentieobjecten en de woning.
4.2.
Belanghebbende voert aan dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde referentieobjecten niet geschikt zijn voor de waardebepaling, omdat deze objecten geen agrarische bestemming hebben terwijl zijn woning dat wel heeft. Naar de rechtbank begrijpt beperkt deze bestemming volgens belanghebbende de gebruiksmogelijkheden en de kring van potentiële kopers zodanig dat de waarde niet kan worden afgeleid uit de verkoopcijfers van reguliere woonobjecten. Hij stelt dat de waarde daarom moet worden bepaald aan de hand van kengetallen voor agrarische objecten, zoals opgenomen in de Taxatiewijzer Agrarisch.
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat het volledige object van belanghebbende een agrarische bestemming heeft (zie ook de kaart als opgenomen onder 2.1) en dat een gedeelte van het object de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' en een bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - bouwstede' heeft. In een openbare bron – het omgevingsloket – is te raadplegen wat de regels zijn rondom de bestemming en de bouw- en functieaanduiding. Uit de onder 2.3 tot en met 2.5 geciteerde gebruiks- en bouwregels ten aanzien van objecten met een agrarische bestemming en die bouw- en functieaanduiding leidt de rechtbank af dat het oprichten en gebruik van de bebouwing op het perceel van belanghebbende en de agrarische grond voor verschillende toepassingen is beperkt. Dergelijke beperkingen hebben naar het oordeel van de rechtbank in het algemeen een waardedrukkend effect. [2] De rechtbank is daarom van oordeel dat in beginsel rekening moet worden gehouden met het waardedrukkende effect dat uitgaat van de agrarische bestemming en de bouw- en functieaanduiding. Dat heeft de heffingsambtenaar niet gedaan.
4.4.
De heffingsambtenaar stelt – zo vat de rechtbank zijn betoog op – dat in dit geval geen rekening hoeft te worden gehouden met het waardedrukkende effect dat uitgaat van de agrarische bestemming. Volgens de heffingsambtenaar zorgt de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' er namelijk voor dat het object op dezelfde wijze kan worden gebruikt als een object met een reguliere woonbestemming. Daarom heeft de heffingsambtenaar ook alleen referentieobjecten met een woonbestemming gekozen. Ter onderbouwing wijst de heffingsambtenaar nog op het object [adres 7] , dat hij ter indicatie in de taxatiematrix heeft opgenomen. Dit object heeft volgens hem dezelfde bestemming en functieaanduiding als de woning van belanghebbende en is, hoewel de verkoopdatum te ver van de waardepeildatum is gelegen om als directe referentie te dienen, illustratief voor zijn stelling dat objecten met een dergelijke bestemming in de markt nagenoeg dezelfde prijzen realiseren als vergelijkbare objecten met een reguliere woonbestemming.
4.5.
De uitleg die de heffingsambtenaar voor zijn werkwijze heeft gegeven, houdt naar het oordeel van de rechtbank geen stand. Bij de waardebepaling speelt het feitelijk gebruik in afwijking van het bestemmingsplan in beginsel geen rol. [3] Een potentiële koper van de onroerende zaak zal immers te rade gaan welke van de voorschriften uit het bestemmingsplan van toepassing zijn en vervolgens welke bestemming hij binnen de grenzen van deze voorschriften aan de onroerende zaak zou kunnen geven. Iedere potentiële koper heeft ermee te rekenen dat de gemeente dat bestemmingsplan jegens hem zal moeten handhaven. Dat brengt mee dat het waardedrukkende effect dat uitgaat van de agrarische bestemming zich hier ten volle doet gelden. Dat betekent dat de heffingsambtenaar door referentieobjecten te kiezen met een reguliere woonbestemming en ook geen rekening te houden met de agrarische bestemming en specifieke bouw- en functieaanduiding die op het object van belanghebbende rusten, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de agrarische bestemming die op de woning en het perceel van belanghebbende rusten.
Onderbouwing van de waarde door belanghebbende
4.6.
Omdat de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt.
4.7.
Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde een taxatiekaart overgelegd die door taxateur [taxateur 2] is opgesteld. In de taxatiekaart is de waarde van de woning berekend op € 393.000. Daarbij zijn de kengetallen uit de Taxatiewijzer Agrarisch tot uitgangspunt genomen.
4.8.
De rechtbank stelt voorop dat de in de taxatiekaart gehanteerde kengetallen uit de Taxatiewijzer Agrarisch zijn ontleend aan de op de uitgangspunten van de Wet WOZ gebaseerde taxatie-instrumenten die, door verzameling en analyse van marktgegevens algemene kengetallen voor agrarische (deel)objecten weergegeven. De kengetallen uit de Taxatiewijzer kunnen slechts als hulpmiddel dienen; zij houden geen rekening met de specifieke kenmerken van de te waarderen onroerende zaak. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende met de overgelegde taxatiekaart niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem verdedigde waarde juist is. Belanghebbende heeft niet met concrete gegevens onderbouwd dat rond de waardepeildatum onvoldoende vergelijkbare referentieobjecten beschikbaar zijn, zodat het gerechtvaardigd zou zijn de waardering (nagenoeg) uitsluitend te baseren op kengetallen uit de Taxatiewijzer Agrarisch. Evenmin heeft hij inzichtelijk gemaakt hoe in de taxatiekaart rekening gehouden is met de specifieke kenmerken van het object, in het bijzonder met de ruimere gebruiksmogelijkheden die voortvloeien uit de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' en een bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - bouwstede', welke (kunnen) afwijken van andere objecten met een agrarische bestemming eventueel aangevuld met een nadere functieaanduiding.
Goede justitie
4.9.
Omdat geen van beide partijen er in is geslaagd om de voorgestane waarde van de woning aannemelijk te maken, bepaalt de rechtbank de waarde van de woning als geheel schattenderwijs op € 600.000.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de bij beschikking vastgestelde waarde moet worden verminderd tot € 600.000. De aanslag OZB moet dienovereenkomstig worden verminderd.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding moet rechtstreeks aan belanghebbende zelf worden betaald. [4]
5.2.
De in 5.1 genoemde vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met waarde per punt van € 647, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907, elk punt met een wegingsfactor 1 en een matigingsfactor voor beide fasen van het geding van 0,25. [5] De totale vergoeding bedraagt derhalve € 777. Ook ziet de rechtbank aanleiding om belanghebbende een vergoeding toe te kennen voor de taxatiekaart.
5.3.
Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van € 164,56 (twee uur à € 68 vermeerderd met 21% omzetbelasting). De heffingsambtenaar verzoekt de rechtbank om bij berekening van de vergoeding, in afwijking van de norm [6] , uit te gaan van € 36 euro per uur. Daarbij wijst de heffingsambtenaar op rechtspraak van de rechtbank Den Haag, waarin volgens de heffingsambtenaar is bepaald dat voor (nagenoeg) geautomatiseerd opgestelde taxatierapporten een lagere vergoeding kan worden toegekend.
5.4.
Namens belanghebbende is ter zitting toegelicht dat de taxatiekaart, waarvoor om vergoeding wordt verzocht, niet geautomatiseerd is opgesteld, in tegenstelling tot het rapport dat in de bezwaarfase is overgelegd. De heffingsambtenaar heeft dit ter zitting niet betwist en het dossier bevat ook geen aanwijzingen dat de taxatiekaart wel geautomatiseerd zou zijn opgesteld. De rechtbank ziet daarom geen reden om in dit geval een lagere vergoeding toe te kennen dan de daarvoor geldende norm.
5.5.
De norm voor vergoeding bedraagt € 53 per uur (exclusief omzetbelasting). Belanghebbende heeft geen onderbouwing gegeven op grond waarvan kan worden afgeweken van de norm en een hogere vergoeding kan worden toegekend. De rechtbank zal daarom, indachtig hetgeen te doen gebruikelijk wordt vergoed in relatie tot het beginsel van rechtsgelijkheid, uitgaan van € 128,26 (twee uur à € 53, vermeerderd met 21% omzetbelasting).
5.6.
De vergoeding bedraagt dan in totaal € 905,26. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de WOZ-waarde van de woning tot een bedrag van € 600.000;
  • vermindert de voor de woning opgelegde aanslag OZB over het jaar 2024 tot een aanslag berekend naar een waarde van € 600.000;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 905,26 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 15 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [7]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 24, negende lid, gelezen in samenhang met artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ.
2.Vgl. ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 april 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1183.
3.Vgl. Hoge Raad 20 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF2256.
4.Artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ.
5.Artikel 30a, tweede lid van de Wet WOZ.
6.Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, te raadplegen via www.rechtspraak.nl/Voor-advocaten-en-juristen/Reglementen-procedures-en-formulieren/Bestuursrecht/Paginas/Richtlijn-vergoeding-proceskosten-taxaties.aspx.
7.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.