4.2.De voorzieningenrechter overweegt dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen in het geval “onverwijlde spoed” dat vereist. Uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar of instellen van beroep de werking van een besluit niet opschort. Bij uitvoering van de openbaarmakingsbesluiten zullen het boetebesluit, openbaarmakingsbesluit I, de beslissing op bezwaar en openbaarmakingsbesluit II op zeer korte termijn openbaar worden gemaakt. Openbaarmaking heeft onomkeerbare gevolgen. Uit het verzoekschrift blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende duidelijk dat verzoekster heeft beoogd openbaarmaking van alle vier de besluiten tegen te gaan. Verzoekster heeft zowel tegen het in stand laten van openbaarmakingsbesluit I als het nemen van openbaarmakingsbesluit II rechtsmiddelen aangewend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster bij beide voorlopige voorzieningen een voldoende spoedeisend belang heeft.
Geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel boetebesluit
5. De vraag of de bestuurlijke boete terecht is opgelegd, vergt een indringende toets. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de voorzieningenprocedure zich niet leent voor beantwoording van de vraag of de boete rechtmatig is opgelegd. Verzoekster heeft namelijk alleen pro forma beroep ingesteld en nog geen aanvullende beroepsgronden tegen de in bezwaar gehandhaafde boete ingediend. De gronden die zijn aangevoerd in de verzoeken om voorlopige voorziening zien bovendien ook niet op de rechtmatigheid van de opgelegde boete. Gelet hierop komt de voorzieningenrechter niet toe aan een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de boete.
Geen voorlopig rechtsmatigheidsoordeel openbaarmakingsbesluiten
6. De vraag of het boetebesluit en de beslissing op bezwaar openbaar mogen worden gemaakt, hangt nauw samen met de beoordeling of de Ksa terecht een boete (van dergelijke hoogte) aan verzoekster heeft opgelegd. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 5. is uiteengezet, vergt de vraag of de boete terecht is opgelegd een indringende toets. Aan die toets komt de voorzieningenrechter niet toe. De voorzieningenprocedure leent zich daarom evenmin om de rechtmatigheid van de openbaarmakingsbesluiten te beoordelen. De voorzieningenrechter zal haar oordeel daarom beperken tot een belangenafweging.
Belangenafweging
Standpunt verzoekster
7. Verzoekster heeft aangevoerd dat met openbaarmaking van de besluiten in ieder geval dient te worden gewacht totdat er een onafhankelijk oordeel over de rechtmatigheid van de bestreden besluiten is geveld. De besluiten zijn niet rechtmatig. Specifiek voor de openbaarmakingsbesluiten voert zij aan dat artikel 3.1 van de Woo een ontoereikende wettelijke grondslag biedt. Voor de openbaarmaking van bestraffende sancties moet een openbaarmakingsregime in een bijzondere wet zijn opgenomen. Zij wijst in dat verband onder meer op het toekomstige artikel 3.3, tweede lid, onder k van de Woo. Subsidiair voert zij aan dat de openbaarmakingsbesluiten in strijd zijn met de weigeringsgronden neergelegd in de artikelen 5.1, tweede lid, onder d en f én artikel 5.1, vijfde lid van de Woo.
Ter onderbouwing van haar belangen wijst verzoekster er verder op dat openbaarmaking veel (negatieve) publiciteit met zich meebrengt, zij voor reputatieschade vreest, zij een toename van ongefundeerde claims verwacht en financiële schade zal ondervinden onder meer door de hiervoor opgesomde gevolgen. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat zij na de openbaarmaking van het boetebesluit van [bedrijf] ook meer informatieverzoeken over spelers heeft ontvangen van claimbedrijven en individuele spelers. Tot slot wijst verzoekster er op dat de overtredingen hebben plaatsgevonden vóór de op 1 oktober 2024 in werking getreden gewijzigde regelgeving waarmee de open norm van de zorgplicht nader is ingevuld.
8. De Ksa heeft aangevoerd dat de belangen van verzoekster niet opwegen tegen het belang van openbaarmaking. De besluiten zijn rechtmatig. De Ksa kan nog niet toetsen aan bepalingen die nog niet in werking zijn getreden en bovendien heeft zij openbaarmaking gebaseerd op artikel 3.1 van de Woo. Op grond van artikel 3.1 van de Woo heeft zij een discretionaire bevoegdheid, vergelijkbaar met artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur. Dat er geen verplichting tot openbaarmaking bestaat, betekent niet dat zij niet bevoegd zou zijn om sanctiebesluiten openbaar te maken. De weigeringsgronden uit de Woo die door verzoekster worden aangevoerd, zijn niet van toepassing.
Dat verzoekster mogelijk enige reputatieschade oploopt, wordt niet betwist, wel dat de mogelijke reputatieschade en gestelde bijkomende gevolgen onevenredig zullen zijn. Verzoekster heeft de gevolgen overdreven en niet onderbouwd. De Ksa hecht eraan sanctiebesluiten openbaar te maken vanwege het maatschappelijke belang om de consument te informeren, te waarschuwen voor bepaalde handelspraktijken van aanbieders van kansspelen en de risico’s die consumenten daarbij lopen. Inzage in het concrete speelgedrag, de omgang daarmee door verzoekster en het toezicht en de handhaving door de Ksa kunnen bij spelers en derden leiden tot bedachtzamere deelname aan online kansspelen, grotere alertheid en grotere meldingsbereidheid. Spelers die door de overtreding schade hebben geleden, zijn ook beter in staat eventueel hun rechten jegens de overtreder geldend te maken. Daarnaast beoogt de Ksa met de openbaarmaking van sanctiebesluiten transparantie te bieden over het functioneren van haar organisatie.
Ten slotte is openbaarmaking van belang in verband met de preventieve werking die van sanctiebesluiten kan uitgaan naar andere ondernemingen en natuurlijke personen. Het kan leiden tot betere naleving van de zorgplicht door vergunninghouders. Bovendien is van belang dat andere vergunninghouders zien hoe de zienswijze en het bezwaarschrift van verzoekster worden beoordeeld. Vergunninghouders voeren namelijk regelmatig (en soms vrijwel precies) dezelfde betogen aan.
Wat vindt de voorzieningenrechter?
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de openbaarmakingsbesluiten niet evident onrechtmatig zijn. De Ksa kan in beginsel gebruik maken van de in artikel 3.1 van de Woo neergelegde bevoegdheid en is niet gebonden is aan wetgeving die nog niet in werking is getreden. De weigeringsgrond neergelegd in artikel 5.1, tweede lid, onder d van de Woo kan in dit geval niet worden toegepast omdat die grond het belang van de Ksa beoogt te beschermen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de door verzoekster overgelegde gegevens ten behoeve van het onderzoek door de Ksa vertrouwelijke bedrijfs- of fabricagegegevens betreffen die niet openbaar zouden mogen worden gemaakt.