Eiseres was arbeidsongeschikt en ontving een Ziektewetuitkering die per 31 oktober 2024 werd beëindigd. Het UWV stuurde op 4 november 2024 het primaire besluit hierover, waarna eiseres op 12 juni 2025 bezwaar maakte. Het UWV verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn van twee weken.
Eiseres voerde aan dat zij het besluit pas op 7 juni 2025 had ontvangen en daarom tijdig bezwaar had gemaakt. De rechtbank oordeelde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat het besluit tijdig was verzonden en dat er contra-indicaties waren waaruit bleek dat eiseres het besluit uiterlijk op 8 april 2025 had ontvangen.
De rechtbank concludeerde dat het bezwaar te laat was ingediend en dat eiseres geen geldige reden had gegeven voor de termijnoverschrijding. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk.
De rechtbank wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Snoeks op 8 december 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.