ECLI:NL:RBZWB:2025:8792
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag parkeerbelasting en de beoordeling van de rechtmatigheid daarvan
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 11 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting beoordeeld. De heffingsambtenaar van de gemeente Breda had aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 63,15, bestaande uit € 1,50 aan belasting en € 61,65 aan kosten. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op 5 november 2025 de zaak behandeld, waarbij belanghebbende aanwezig was, maar de heffingsambtenaar zich had afgemeld.
De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. De auto van belanghebbende stond op 30 april 2024 om 09:32 uur stil aan de Watermolen te Breda, waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mocht worden geparkeerd. De rechtbank oordeelt dat, hoewel belanghebbende stelt dat zij parkeerbelasting had betaald tot 09:31 uur, er geen bewijs is dat zij op het moment van controle in de auto zat. De foto’s van de scanauto tonen aan dat de auto op dat moment geparkeerd stond zonder dat er parkeerbelasting was voldaan.
Daarnaast wordt het proportionaliteitsbeginsel besproken. De rechtbank stelt vast dat de kosten van de naheffingsaanslag niet buitenproportioneel zijn, aangezien deze binnen de vastgestelde tarieven vallen. De rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond, wat betekent dat de naheffingsaanslag gehandhaafd blijft. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.