ECLI:NL:RBZWB:2025:8784

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/5986 RWNL
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing naturalisatieverzoek wegens gerede twijfel over identiteit en nationaliteit

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de afwijzing van een naturalisatieverzoek. Eiser, die stelt Soedanese nationaliteit te hebben, heeft in het verleden asiel aangevraagd in Nederland, maar zijn identiteit en nationaliteit zijn nooit overtuigend aangetoond. De rechtbank behandelt het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, die zijn aanvraag om het Nederlanderschap op 10 juni 2024 ongegrond verklaarde. Eiser heeft zijn aanvraag ingediend op 23 maart 2022, maar de staatssecretaris heeft twijfels geuit over zijn identiteit, mede op basis van een taalanalyserapport van het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT). Dit rapport concludeert dat eiser geen talenkennis heeft die overeenkomt met zijn geclaimde herkomstgebied. Eiser heeft aangevoerd dat hij in bewijsnood verkeert en dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn minderjarigheid en psychische problemen tijdens zijn asielprocedure. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht twijfels heeft over de identiteit en nationaliteit van eiser en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5986 RWNL

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. A. Dijcks en mr. J. Visschers).

Inleiding

In het besluit van 10 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van het Nederlanderschap ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op een zitting behandeld in Middelburg. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visschers.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1980 en de Soedanese nationaliteit te hebben.
2. Op 14 mei 1996 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Deze aanvraag is afgewezen. Hieraan lag mede ten grondslag dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Met de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 13 februari 2004 (zaaknummer Awb 01/18884) is dit in rechte vast komen te staan.
3. Met ingang van 15 juni 2007 is eiser in het bezit van een verblijfsvergunning regulier op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (de Ranov-regeling). Deze regeling was een pardonregeling voor langdurig illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen die vóór 1 april 2001 een asielaanvraag hadden ingediend onder de oude Vreemdelingenwet. Eisers reguliere verblijfsvergunning is laatstelijk verlengd tot 15 juni 2028.
4. Op 23 maart 2022 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van het Nederlanderschap (naturalisatie). Op 20 februari 2023 heeft verweerder het voornemen geuit om deze aanvraag af te wijzen omdat er nog steeds twijfel bestaat over eisers identiteit en nationaliteit, en heeft verweerder het aanbod gedaan om een taalanalyse te laten verrichten. Op 21 februari 2023 heeft eiser een zienswijze ingediend en aangegeven gebruik te willen maken van dit aanbod. Vervolgens is op 3 mei 2023 door het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) van verweerder een rapport opgesteld, waaruit volgt dat eiser geen talenkennis heeft die past bij het door hem gestelde herkomstgebied. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om op dit rapport te reageren.
5. In het besluit van 22 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft daartegen bij verweerder bezwaar gemaakt. Op 20 februari 2024 is eiser door de ambtelijke hoorcommissie van verweerder gehoord over zijn bezwaar. Op 21 mei 2024 heeft TOELT een weerwoord opgesteld naar aanleiding van de gronden van bezwaar en de hoorzitting. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder houdt namelijk vast aan zijn standpunt dat er twijfel bestaat over eisers identiteit en nationaliteit.
Beroepsgronden
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderkend dat hij tijdens zijn asielprocedure minderjarig was en dat er destijds sprake was van psychische problemen, waardoor zijn verklaringen over zijn identiteit en nationaliteit toen niet goed tot uiting zijn gekomen. In deze procedure heeft eiser duidelijk aangegeven welke nationaliteit hij heeft en welke taal hij spreekt.
7. Daarnaast voert eiser aan dat hij voldoende argumenten heeft aangeleverd om het rapport van TOELT van 3 mei 2023 te weerleggen. TOELT heeft geen volwaardige taalanalyse verricht omdat het niet beschikt over taalanalisten in de talen die hij spreekt, het Oromo en het Nuer. Ook heeft TOELT te weinig rekening gehouden met zijn uitleg over zijn herkomst en taalontwikkeling.
8. Verder voert eiser aan dat hij in bewijsnood verkeert omdat hij niet alsnog aan identificerende documenten kan komen. De autoriteiten van Soedan, dan wel Zuid-Soedan, willen hem hierbij niet helpen. Eiser wijst hierbij op het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken in zake Soedan van oktober 2019. Omdat het bestreden besluit hiermee neerkomt op een eeuwigdurend verbod om Nederlander te worden, is het onevenredig. Eerst in beroep heeft eiser nog een verklaring van de autoriteiten van Ethiopië van 21 mei 2024 overgelegd, alsmede een vertaling daarvan, waarin zijn identiteit en nationaliteit worden bevestigd.
Beoordelingskader
9. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) verleent verweerder met inachtneming van hoofdstuk 4 van de RWN het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.
10. Op grond van artikel 31, eerste lid, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BVVN) verstrekt de verzoeker bij de indiening van de aanvraag gegevens over zijn identiteit en nationaliteit. Op grond van het vijfde lid kan verweerder verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.
11. Volgens onderdeel 7-alg, paragraaf 3, van de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 moet de verzoeker zekerheid verschaffen over zijn identiteit en nationaliteit en moet de verzoeker daartoe een geldig buitenlands reisdocument (zoals een paspoort) overleggen. De verzoeker die in 2007 of 2008 een Ranov-verblijfsvergunning heeft gekregen en op de ingangsdatum daarvan meerderjarig was, is sinds 1 november 2021 van dit documentvereiste vrijgesteld. Gerede twijfel aan de identiteit of nationaliteit kan echter ondanks deze vrijstelling reden zijn om de aanvraag af te wijzen. Dergelijke twijfel kan ontstaan uit de inhoud van het vreemdelingrechtelijk dossier, onderzoek door TOELT en andere bekende feiten en omstandigheden.
12. Uit de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), de hoogste Nederlandse rechter in onder meer naturalisatiezaken, volgt dat naturalisatie wegens de daaraan verbonden gevolgen een zaak van groot gewicht is en dat verweerder daarom bevoegd is om op de daartoe geëigende wijze bewijs van de gestelde identiteit en nationaliteit van de verzoeker te verlangen. Dit houdt onder meer in dat verweerder het beleid zoals onder 11 weergegeven mag voeren. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraak van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2566.
Oordeel van de rechtbank
13. In de hiervoor genoemde uitspraak van 12 februari 2004 heeft de rechtbank bevestigd dat er tijdens eisers asielprocedure twijfels zijn ontstaan over de door hem gestelde identiteit en nationaliteit. Deze uitspraak staat in rechte vast. Eiser heeft zijn stelling dat hij tijdens zijn asielprocedure vanwege zijn minderjarigheid en psychische problemen niet goed heeft kunnen verklaren over zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk gemaakt. Niet betwist is dat er tijdens de asielgehoren geen sprake is geweest van problemen om te verklaren. Daarnaast heeft eiser zijn gestelde psychische problemen niet met medische documenten onderbouwd. De omstandigheid dat eiser sinds hij Ranov-statushouder is altijd consequent is geweest over zijn personalia is in deze omstandigheden onvoldoende.
14. Volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling zijn taalanalyserapporten van TOELT deskundigenadviezen waarvan verweerder in beginsel mag uitgaan. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat dit uitgangspunt in deze zaak niet opgaat omdat er geen volwaardige taalanalyse is verricht. Het rapport van TOELT van 3 mei 2023 is namelijk opgesteld door een arabist/linguist die op inzichtelijke en concludente wijze beschrijft op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat eiser niet de talenkennis heeft die past bij het door hem gestelde herkomstgebied.
15. Uit de vaste rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat verweerder niet van een deskundigenadvies mag uitgaan als er aanknopingspunten zijn aangeleverd die leiden tot twijfel aan dat advies. Gelet op het weerwoord van TOELT van 21 mei 2024 is eiser er niet in geslaagd om dergelijke aanknopingspunten aan te leveren. Anders dan eiser aanvoert, is daarbij wel degelijk ingegaan op zijn stellingen over zijn herkomst en zijn taalontwikkeling. Eiser heeft gesteld dat hij etnisch Nuer is en dat hij de eerste zestien jaar van zijn leven in [plaats] heeft gewoond, een plaats die valt binnen het taalgebied van het Nuer. Tijdens het gesprek dat in het kader van het onderzoek door TOELT is gevoerd, bleek eiser echter ook naar eigen zeggen niet in staat om Nuer te spreken. Losse woorden die eiser opgaf als zijnde Nuer, bleken Arabisch of Oromo. Hierbij heeft de arabist/linguist opgemerkt dat deze woorden klanken bevatten die blijkens een lexicon niet in het Nuer voorkomen. Ook heeft de arabist/linguist opgemerkt dat eisers stelling dat hij het Nuer bijna volledig is vergeten omdat hij het sinds zijn zestiende niet meer heeft hoeven spreken zeer onwaarschijnlijk is. Daarnaast is gebleken dat eiser het type Arabisch dat in zijn herkomstgebied wordt gesproken, het Juba-Arabisch, niet beheerst. Eisers stelling dat zijn Arabisch is veranderd doordat hij in Nederland contact heeft gezocht met mensen met wie hij kan communiceren, is volgens de arabist/linguist zeer onwaarschijnlijk. Sprekers van het Juba-Arabisch kunnen sprekers van andere Arabische dialecten namelijk niet verstaan, en niet valt in te zien waarom eiser dan geen contact heeft gezocht met de mensen in Nederland die zijn eigen dialect in het Arabisch of het Nuer spreken. Ten slotte is gebleken dat eiser vloeiend Oromo spreekt. De arabist/linguist heeft hierbij gebruik gemaakt van een woordenboek. Eiser heeft volgens zijn verklaringen echter nooit langdurig in een gebied verbleven waar Oromo wordt gesproken. Eiser heeft gesteld dat hij tijdens zijn vlucht in aanraking is gekomen met sprekers van het Oromo, maar volgens de arabist/linguist kan door dergelijke contacten geen vloeiende beheersing van het Oromo worden bereikt. Uit wat door eiser is aangevoerd kan niet worden geconcludeerd dat de opsteller van het rapport en het weerwoord niet tot deze bevindingen is kunnen komen met gebruikmaking van de eigen kennis van het Arabisch en de aangehaalde bronnen over het Nuer en het Oromo. Ook heeft eiser geen contra-expertise overgelegd, terwijl daarvoor blijkens het weerwoord wel mogelijkheden bestaan.
16. Eiser kan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat het voor hem niet alsnog mogelijk is om aan identificerende documenten te komen. Zijn stelling dat de autoriteiten van Soedan of Zuid-Soedan hem daarbij niet kunnen of willen helpen, is op geen enkele manier onderbouwd. Een dergelijke stelling is op zichzelf volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling onvoldoende om bewijsnood aan te nemen. Eiser heeft geen stukken overgelegd van de Soedanese of Zuid-Soedanese autoriteiten waaruit volgt dat zij niet bereid zijn om identificerende documenten aan eiser te verstrekken. Eisers verwijzing naar het algemeen ambtsbericht inzake Soedan van oktober 2019 is dan ook onvoldoende. Bovendien blijkt daaruit dat het voor het volgen van onderwijs noodzakelijk is om een geboorteakte te hebben. Eiser heeft verklaard onderwijs te hebben gevolgd in Soedan, zodat niet valt in te zien waarom hij geen Soedanese geboorteakte kan overleggen.
17. Op grond van artikel 31, eerste lid, van het BVVN, en artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, moet de aanvrager van naturalisatie bij de aanvraag de benodigde stukken overleggen. Het stuk dat eiser voor het eerst in de beroepsfase heeft overgelegd, kan daarom niet in de beoordeling worden betrokken. Als de rechtbank dat wel zou doen, zou overigens de vraag rijzen wat de bewijskracht daarvan is aangezien niet inzichtelijk is hoe een regionaal administratiekantoor in Ethiopië zou kunnen bevestigen dat eiser uit Soedan komt.
18. Aangezien uit het voorgaande niet volgt dat er voor eiser geen enkele mogelijkheid is om zijn identiteit en nationaliteit alsnog aannemelijk te maken, bestaat er geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onevenredig is.
19. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
20. Er is daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 4 december 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.