In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 maart 2024. De inspecteur had aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.213, en had daarbij € 356 belastingrente in rekening gebracht. Het bezwaar van belanghebbende werd door de inspecteur ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 behandeld, waarbij belanghebbende aanwezig was, maar de inspecteur niet. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2016 naar de juiste hoogte is opgelegd en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank concludeert dat de aanslag correct is opgelegd, maar dat belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 4.727 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur en de Staat elk een deel van deze schadevergoeding moeten betalen. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.