Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:8713

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
02-811038-10
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in ontnemingsvordering wegens dossierverlies en termijnoverschrijding

In deze ontnemingszaak, voortvloeiend uit een onherroepelijk vonnis van 20 september 2011, vorderde het Openbaar Ministerie ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De procedure kende een langdurige aanhouding sinds 2012, met een hervatting in 2022 en opnieuw in 2025. De officier van justitie vorderde ontneming wegens betrokkenheid van betrokkene bij de verkoop van cocaïne en het bezit van verboden wapens.

De rechtbank constateerde een forse overschrijding van de redelijke termijn, mede doordat het ontnemingsdossier ondanks herhaalde zoekpogingen zoek is geraakt. Dit dossierverlies maakt een zorgvuldige beoordeling onmogelijk en vormt een ernstige inbreuk op het recht van betrokkene op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro.

De verdediging sloot zich aan bij het standpunt van de officier van justitie dat niet-ontvankelijkheid passend is. Gezien de omstandigheden oordeelde de rechtbank dat voortzetting van de procedure onverenigbaar is met een behoorlijke procesorde en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot ontneming.

De beslissing onderstreept het belang van een tijdige en zorgvuldige procedure en het recht op een eerlijk proces, waarbij het ontbreken van cruciale processtukken en de overschrijding van de redelijke termijn doorslaggevend waren.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming wegens dossierverlies en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-811038-10
vonnis van de rechtbank van 9 december 2025
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedag] 1985,
wonende te [woonplaats] ,
raadsman mr. H. Durdu, advocaat te Rotterdam.

1.De procedure

Op 20 september 2011 is er onder bovengenoemd parketnummer vonnis gewezen in de strafzaak. Dat vonnis is onherroepelijk. De ontnemingszaak is behandeld ter zitting van 20 december 2012 en vervolgens voor onbepaalde tijd aangehouden.
De ontnemingszaak is vervolgens hervat op de zitting van 20 december 2022, waarna bij tussenvonnis van 3 januari 2023 het onderzoek ter zitting is heropend en vervolgens voor onbepaalde tijd is aangehouden. De ontnemingszaak is vervolgens hervat op de zitting van 25 november 2025. De raadsman is ter zitting verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De officier van justitie mr. I.M.H. Masselink en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie constateert dat betrokkene bij arrest van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch van 6 juni 2023 veroordeeld is tot een gevangenisstraf van één maand met aftrek van het voorarrest in verband met de verkoop van cocaïne in de periode van 1 juni 2010 tot en met 14 juli 2010 en het voorhanden hebben van een traangasbusje en een stroomstootwapen. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn vrijgesproken door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
De officier van justitie vordert om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering. Zij voert hiertoe het volgende aan. Niet alleen is er sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn, ook zou verdachte ten opzichte van de medeverdachten onevenredig zwaar getroffen worden nu er in de zaken van medeverdachte [medeverdachte 3] al een niet-ontvankelijkheid door de rechtbank is uitgesproken Ook is ondanks vele zoekpogingen het ontnemingsdossier niet teruggevonden, waardoor niet te bepalen is hoe de vordering van € 149.500,- zich verhoudt tot de zeer beperkte bewezenverklaring van dealen in cocaïne over een periode van zes weken, daar waar een jaar ten laste was gelegd. Wat verder meeweegt is dat het maatschappelijke belang bij herstel in de rechtmatige financiële toestand ontbreekt, dan wel sterk verminderd is. Tot slot wordt van belang geacht dat betrokkene vader van vijf kinderen is en dat een afdoening van de zaak gedurende lange tijd boven zijn hoofd heeft gehangen.

3.Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie en de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering.

4.Het oordeel van de rechtbank

Om te komen tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moet er, gelet ook op het arrest van 20 december 2020 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1890), sprake zijn van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van betrokkene op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De beslissing om ontneming van het wederrechtelijk voordeel te vorderen, leent zich in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet‑ontvankelijkverklaring van de officier van justitie op de grond dat het instellen of voortzetten van die procedure onverenigbaar is met beginselen van een behoorlijke procesorde. Daarbij geldt als criterium dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) die procedure enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
De rechtbank stelt vast dat de ontnemingsvordering op 20 december 2012 is behandeld en toen voor onbepaalde tijd is aangehouden. Sindsdien heeft het onderzoek tot de hervatting op 20 december 2022 stilgelegen. De rechtbank heeft vervolgens bij tussenvonnis van 3 januari 2023 het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd aangehouden.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de redelijke termijn in forse mate overschreden is. De ontnemingsprocedure heeft feitelijk immers vanaf 20 december 2012 stil gelegen, terwijl dit niet aan de verdediging te wijten is. Enkel het overschrijden van de redelijke termijn is, in de lijn van het door de Hoge Raad genoemde uitgangspunt, geen grond voor een niet-ontvankelijkverklaring. In de onderhavig zaak speelt echter ook dat het ontnemingsdossier is zoekgeraakt en ondanks herhaaldelijke zoekpogingen, niet is teruggevonden. Het strafdossier is wel deels teruggevonden. Daarin zijn echter geen stukken met betrekking tot de ontnemingsprocedure teruggevonden. Nu het dossier ontbreekt is er onvoldoende informatie beschikbaar om een deugdelijke procedure te kunnen verzekeren. Dit heeft tot gevolg dat een zorgvuldige beoordeling door de rechter onmogelijk is gemaakt, wat een ernstige inbreuk oplevert op het recht van betrokkene op een eerlijk proces.
De rechtbank zal dan ook de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de ontnemingsvordering.

5.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Verschueren, voorzitter, mr. J.C.A.M. Los en mr. J.B. Polak, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.R. Tafazzul en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 december 2025.
Mr. J.B. Polak is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.