ECLI:NL:RBZWB:2025:8421

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
25/5001 WABOA VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling bij intrekking voorlopige voorziening omgevingsvergunning

In deze bestuursrechtelijke zaak hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda van 20 augustus 2025 betreffende een omgevingsvergunning. Verzoekers hebben een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, maar dit verzoek later ingetrokken nadat de vergunninghoudster had toegezegd niet te zullen starten met de bouwwerkzaamheden totdat de vergunning in rechte onherroepelijk is geworden.

De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling, maar het college heeft niet gereageerd. De kernvraag was of het college geheel of gedeeltelijk aan het verzoek om voorlopige voorziening was tegemoetgekomen, wat een voorwaarde is om het college te kunnen veroordelen in de proceskosten.

Omdat niet het college maar de vergunninghoudster de toezegging had gedaan, oordeelde de voorzieningenrechter dat het college niet aan het verzoek was tegemoetgekomen. Daarom wees hij het verzoek om proceskostenveroordeling af. Wel werd het griffierecht aan verzoekers terugbetaald vanwege de toezegging van de vergunninghoudster.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter R.P. Broeders op 2 december 2025 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling tegen het college wordt afgewezen en het griffierecht wordt terugbetaald aan verzoekers.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5001 WABOA VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] (verzoekers), uit [plaats],

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (college), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit [plaats],
(vergunninghoudster).

Procesverloop

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekers om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekers hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun verzoek tegen het besluit van het college van 20 augustus 2025. Verzoekers hadden bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 augustus 2025.
1.2.
Zij hebben het verzoek ingetrokken omdat vergunninghoudster heeft laten weten niet te beginnen met de bouwwerkzaamheden tot het moment dat de vergunning in rechte vast staat.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft hierop niet gereageerd.
1.4.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3.1.
Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3.2.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [3]
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Omdat niet het college is tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening maar vergunninghoudster heeft gemeld dat niet wordt gestart met de bouwwerkzaamheden tot het moment dat de omgevingsvergunning in rechte vast staat, is
er geen aanleiding om het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. Omdat vergunninghoudster heeft toegezegd niet te zullen starten met de bouwwerkzaamheden tot het moment dat de omgevingsvergunning in rechte vast staat, betaalt de griffier het griffierecht aan verzoekers terug. [4]

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
2 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3.Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
4.Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.