In deze bestuursrechtelijke zaak hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda van 20 augustus 2025 betreffende een omgevingsvergunning. Verzoekers hebben een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, maar dit verzoek later ingetrokken nadat de vergunninghoudster had toegezegd niet te zullen starten met de bouwwerkzaamheden totdat de vergunning in rechte onherroepelijk is geworden.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling, maar het college heeft niet gereageerd. De kernvraag was of het college geheel of gedeeltelijk aan het verzoek om voorlopige voorziening was tegemoetgekomen, wat een voorwaarde is om het college te kunnen veroordelen in de proceskosten.
Omdat niet het college maar de vergunninghoudster de toezegging had gedaan, oordeelde de voorzieningenrechter dat het college niet aan het verzoek was tegemoetgekomen. Daarom wees hij het verzoek om proceskostenveroordeling af. Wel werd het griffierecht aan verzoekers terugbetaald vanwege de toezegging van de vergunninghoudster.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter R.P. Broeders op 2 december 2025 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.