ECLI:NL:RBZWB:2025:8387

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
23/10709
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 19.1 BestemmingsplanArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek recreatieve verhuur woning met beroep op vertrouwensbeginsel

Eiseres verzocht het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere om handhavend op te treden tegen de recreatieve verhuur van een woning, welke volgens haar in strijd is met het bestemmingsplan. Het college wees dit verzoek af, waarna eiseres bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het recreatief verhuren van de woning inderdaad in strijd is met het bestemmingsplan en dat er geen beroep op overgangsrecht mogelijk is, waardoor sprake is van een overtreding. Echter, het college heeft het handhavingsverzoek terecht afgewezen vanwege een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, gebaseerd op brieven uit 1954 en 1961 waarin toestemming voor recreatieve verhuur werd gegeven. Deze toezeggingen zijn pandgebonden en wegen zwaarder dan het algemene belang.

Eiseres stelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan en onvoldoende rekening hield met het woon- en leefklimaat, maar de rechtbank vond dat het college dit voldoende had gemotiveerd. Daarnaast kende de rechtbank schadevergoeding toe aan eiseres en de woningeigenaar wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Staat der Nederlanden, die tevens werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard, maar schadevergoeding wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/10709

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen

Stichting [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder,

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Als derde partij neemt aan de zaak deel: [woningeigenaar] uit [plaats 2] (woningeigenaar).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen recreatieve verhuur van de woning van de woningeigenaar. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek om handhaving. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college op goede gronden het handhavingsverzoek van eiseres heeft afgewezen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek om handhaving op goede gronden heeft afgewezen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Wel wordt schadevergoeding toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een uitspraak gedaan had moeten worden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 september 2023 (bestreden besluit) over de afwijzing van haar verzoek om handhaving.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep van eiseres met zaaknummer BRE 24/914 over de recreatieve verhuur van woningen van andere derde partijen. Namens eiseres zijn de bestuursleden verschenen, namelijk [bestuurslid 1] , [bestuurslid 2] en [bestuurslid 3] , en haar gemachtigde. Namens het college waren mr. M.W.F. Moll en [naam] aanwezig. Ook de woningeigenaar was aanwezig, vergezeld door haar echtgenoot.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
2. Op 18 augustus 2022, ontvangen door het college op 19 augustus 2022, heeft eiseres het college verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel [adres 1] te [plaats 1] (de woning), omdat de woning in strijd met het [bestemmingsplan] ’ (Bestemmingsplan) recreatief wordt verhuurd.
Met het besluit van 14 maart 2023 (verzonden op 15 maart 2023, primair besluit) heeft het college het handhavingsverzoek van eiseres afgewezen.
Eiseres heeft op 25 april 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Toepasselijk recht
3.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
3.2.
Het verzoek om handhaving is gedaan op 18 augustus 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Het bestreden besluit
4. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het recreatief verhuren van de woning strijdig is met het Bestemmingsplan en dat aan de woningeigenaar geen geslaagd beroep op het overgangsrecht toekomt. Er is dus sprake van een overtreding. De woningeigenaar komt echter gezien de inhoud van brieven van 6 november 1954 en 10 januari 1961 een beroep op het vertrouwensbeginsel toe en het belang van de woningeigenaar weegt in dit geval zwaarder dan het algemeen belang. Ook is handhaving gezien het lange tijdsverloop en de toezeggingen in dit geval onevenredig. [1] De bewijsstukken bieden derhalve voldoende motivatie voor het besluit dat er vanwege bijzondere omstandigheden en het vertrouwensbeginsel afgezien kan worden van handhaving.
Beroepsgronden
5. Eiseres is van mening dat het college ten onrechte haar handhavingsverzoek heeft afgewezen. Het college heeft geen onderzoek gedaan naar het daadwerkelijk gebruik van de woning, waardoor het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase is vast komen te staan dat de woning aan verblijfsrecreanten is verhuurd, waardoor in strijd is gehandeld met het Bestemmingsplan. Verder is eiseres van mening dat uit de overgelegde stukken geen toezegging volgt dat recreatieve verhuur is toegestaan. Als wel sprake was van een toezegging dan is deze toezegging niet gedaan aan deze woningeigenaar. Het college had deze stukken daarom niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Ook heeft het college bij de belangenafweging onvoldoende rekening gehouden met het belang van het behoud en het zo mogelijk verbeteren van een goed woon- en leefklimaat in de kern van [plaats 1] en de omgeving. Ten slotte verzoekt eiseres om een immateriële schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel van de rechtbank
6.1.
De rechtbank beoordeelt of het college op goede gronden het verzoek om handhaving van eiseres over het recreatief verhuren van de woning heeft afgewezen. Omdat de woningeigenaar de belanghebbendheid van eiseres betwist, oordeelt de rechtbank daar eerst over.
6.2.
De woningeigenaar heeft tijdens de zitting haar standpunt uit bezwaar herhaald dat eiseres geen belanghebbende is bij het handhavingsverzoek, omdat de woning buiten het gebied valt waarover de ‘Huisvestingsverordening tweede woningen’ gaat. De rechtbank volgt de woningeigenaar daarin niet. Uit de statuten van eiseres blijkt dat haar doelstellingen zich niet beperken tot het werkingsgebied van de Huisvestingsverordening. Eén van haar doelstellingen is namelijk het behoud van het woon- en leefklimaat in de kom [plaats 1] en de nabijheid daarvan, waarbij als voor dat woon- en leefklimaat medebepalende factoren onder andere wordt beschouwd: het in voldoende mate beschikbaar zijn van woonruimte voor de inwoners van [plaats 1] . Aangezien de woning ligt in dat geografische gebied en het gebruiken van de woning voor recreatieve verhuur haaks staat op deze doelstelling van eiseres, heeft het college eiseres terecht aangemerkt als belanghebbende bij het handhavingsverzoek. De rechtbank gaat daarom over tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Wettelijk kader
7.1.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c Wabo bepaalt - voor zover hier relevant - dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
7.2.
Niet in geschil is dat de woning in het Bestemmingsplan de bestemming ‘wonen’ heeft. De gronden met de bestemming ‘wonen’ zijn op grond van artikel 19.1, aanhef en onder a, van het Bestemmingsplan bestemd voor wonen.
7.3.
Verder is niet in geschil dat het recreatief verhuren van de woning in strijd is met artikel 19.1, aanhef en onder a van het Bestemmingsplan, tenzij er een geslaagd beroep gedaan kan worden op het overgangsrecht.
Is sprake van een overtreding?
8. Niet in geschil is dat recreatief verhuren van de woning in strijd is met het Bestemmingsplan en dat aan de woningeigenaar geen beroep op het overgangsrecht toekomt. Er is dus sprake van een overtreding.
Gebruik van de bevoegdheid tot handhaving
9.1.
Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Dat wordt ook wel de beginselplicht tot handhaving genoemd. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan van deze beginselplicht afwijken, bijvoorbeeld als er een concreet zicht op legalisatie bestaat. Daarnaast kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. [2]
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is van een concreet zicht op legalisatie in deze zaak geen sprake, alleen al vanwege het feit dat de woningeigenaar geen aanvraag heeft ingediend voor het van het Bestemmingsplan afwijkende gebruik. Wel kan een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel een bijzondere omstandigheid opleveren op grond waarvan van handhaving kan of moet worden afgezien.
Vertrouwensbeginsel
10.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid al dan niet zou uitoefenen en zo ja hoe. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval als betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.
10.2.
Het college baseert het geslaagde beroep op het vertrouwensbeginsel op twee brieven. De eerste brief dateert van 6 november 1954 en luidt als volgt:
“In antwoord op Uw voormeld schrijven berichten wij U, dat wij kunnen goedvinden dat Uw pand [adres 2] in de toekomst zal worden benut voor zomerverhuur.”
De tweede brief dateert van 10 januari 1961 en luidt als volgt:
“Naar aanleiding van Uw bovenaangehaald schrijven, inzake aankoop van het pand [adres 3] te [plaats 1] voor vakantieverblijf, delen wij U mee, dat het niet in onze bedoeling ligt genoemd pand voor permanente bewoning te vorderen.
Uitdrukkelijk moeten wij U er echter op wijzen, dat vorenstaande niet uitsluit, dat tot vordering zal worden overgegaan in geval zich onverhoopt bijzondere omstandigheden als mobilisatie, oorlog, natuurrampen e.d. zouden voordoen.”
10.3.
In de eerste brief staat dat de woning mag worden gebruikt voor zomerverhuur. Tijdens de zitting heeft het college toegelicht dat onder ‘zomerverhuur’ in de huidige context en tijdsbestek recreatieve verhuur verspreid over het hele kalenderjaar moet worden verstaan. De rechtbank acht een dergelijke uitleg begrijpelijk en toelaatbaar, waardoor sprake is van een voor de huidige tijd geldende toezegging dat de woning gebruikt mag worden voor recreatieve verhuur, zonder dat dit beperkt is tot de zomerperiode. Dat die toezegging zo bedoeld is, blijkt ook uit het feit dat het college op dit adres nooit is overgegaan tot handhaving tegen recreatieve verhuur van de woning, ook niet buiten de zomerperiode.
10.4.
De beroepsgrond van eiseres dat de toezeggingen niet zijn gedaan aan deze woningeigenaar (maar aan een eerdere eigenaar) en dat daardoor het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, volgt de rechtbank niet. De toezeggingen zijn immers gedaan ten aanzien van het gebruik van de woning. Om die reden zijn de toezeggingen pand- en niet persoonsgebonden.
10.5.
Omdat de brief van 6 november 1954 al een beroep op het vertrouwensbeginsel rechtvaardigt, geeft de rechtbank geen oordeel over de betekenis van de brief van
10 januari 1961 voor dit handhavingsverzoek.
10.6.
Het bestaan van gerechtvaardigde verwachtingen brengt niet mee dat aan die verwachtingen altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen. Wanneer er andere belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming.
10.7.
Eiseres voert aan dat het college bij de belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van het behoud en het zo mogelijk verbeteren van een goed woon- en leefklimaat in de kern van [plaats 1] en de omgeving.
10.8.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat het belang van de woningeigenaar in dit geval zwaarder weegt dan het algemene belang, waaronder het belang van een goed woon- en leefklimaat. Met name zijn geen concrete dreigingen van bijvoorbeeld parkeer- of geluidsoverlast gesteld of gebleken. De beroepsgronden van eiseres slagen dus niet en het college mocht afzien van handhaving.
Overschrijding van de redelijke termijn
11.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. Daarnaast heeft de derde-partij tijdens de zitting ook een verzoek om schadevergoeding gedaan.
11.2.
Op grond van vaste rechtspraak is een redelijke termijn voor de afhandeling van bezwaar en beroep als uitgangspunt twee jaar. [4] Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Er zijn factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.
11.3.
De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van eiseres op 25 april 2023 door het college is ontvangen. Gelet hierop had de rechtbank in beginsel uiterlijk op 25 april 2025 uitspraak moeten doen. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dus in beginsel zeven maanden. De vertraging is echter voor een belangrijk deel veroorzaakt doordat eiseres pas na meerdere uitstelverzoeken haar beroepsgronden heeft ingediend, waardoor een vertraging van drie tot vier maanden voor haar rekening komt. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om aan eiseres € 500,00 schadevergoeding toe te kennen (het bedrag dat gebruikelijk wordt toegekend bij een termijnoverschrijding tot zes maanden). Aan de woningeigenaar wordt € 1.000,00 schadevergoeding toegekend (het bedrag dat gebruikelijk wordt toegekend bij een termijnoverschrijding tussen zes en twaalf maanden) omdat de vertraging niet te wijten is aan de woningeigenaar.
11.4.
De overschrijding van de redelijke termijn wordt volledig toegerekend aan de beroepsfase, omdat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar heeft geduurd. Daarom zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) worden veroordeeld tot betaling van de schadevergoedingen. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
11.5.
Als een verzoek om schadevergoeding zoals hier aan de orde wordt toegewezen, dan wordt ook een veroordeling in de daarvoor gemaakte proceskosten uitgesproken. De rechtbank veroordeelt de Staat in de hiervoor door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). De woningeigenaar heeft voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding geen kosten gemaakt die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen. Er bestaat geen aanleiding om te bepalen dat de Staat het griffierecht aan eiseres moet terugbetalen. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van
31 mei 2024. [5]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep van eiseres is ongegrond. Dit betekent dat zij geen gelijk krijgt en het college mocht afzien van handhaving. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn wordt aan eiseres een schadevergoeding toegekend van € 500,00 en aan de woningeigenaar € 1.000,-, beide te betalen door de Staat. Verder wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten van eiseres in verband met haar verzoek om schadevergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding aan eiseres van € 500,-;
  • veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding aan de woningeigenaar van € 1.000,-;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is op 28 november 2025 gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1758.
3.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:78, r.o. 14.2.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van