ECLI:NL:RBZWB:2025:8375

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
BRE - 24 _ 7384 tot en met 24 _ 7388
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid van de rechtbank inzake teruggaafverzoeken omzetbelasting en afwijzing van verzoeken

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 27 november 2025, wordt de zaak behandeld van belanghebbende SL, een in Spanje gevestigde vennootschap, tegen de inspecteur van de Belastingdienst. De rechtbank beoordeelt de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 20 september 2024 en 31 oktober 2024, betreffende teruggaaf van omzetbelasting over verschillende tijdvakken in 2018 en het tweede kwartaal van 2019. De inspecteur had teruggaafbeschikkingen afgegeven, maar belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van deze teruggaaf en de belastingrentebeschikkingen.

Tijdens de zitting op 4 september 2025 is belanghebbende niet verschenen, terwijl de zittingsuitnodiging correct was verzonden. De rechtbank stelt vast dat zij onbevoegd is om de beroepen te beoordelen die zich richten tegen de beslissing van de inspecteur om de teruggaaf te weigeren, omdat deze beslissing niet voor bezwaar vatbaar is. De rechtbank concludeert dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt recht te hebben op een hogere teruggaaf van omzetbelasting voor de tijdvakken in 2018 en het tweede kwartaal van 2019. De rechtbank wijst erop dat de bewijslast voor de teruggaaf bij belanghebbende ligt, en dat zij niet voldoende bewijs heeft geleverd om haar verzoek te onderbouwen.

De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor de beroepen die zich richten tegen de beslissing van de inspecteur en verklaart de beroepen voor het overige ongegrond. Belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten door middel van hoger beroep bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/7384 tot en met 24/7388

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 november 2025 in de zaken tussen

[belanghebbende] SL, gevestigd te [plaats] (Spanje), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 20 september 2024 en 31 oktober 2024.
1.1.
De inspecteur heeft over de tijdvakken 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 (eerste kwartaal 2018), 1 april 2018 tot en met 30 juni 2018 (tweede kwartaal 2018), 1 juli 2018 tot en met 30 september 2018 (derde kwartaal 2018), 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 (vierde kwartaal 2018) en 1 april 2019 tot en met 30 juni 2019 (tweede kwartaal 2019) teruggaafbeschikkingen omzetbelasting aan belanghebbende afgegeven. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur ook belastingrentebeschikkingen ten behoeve van belanghebbende vastgesteld. Dit kan als volgt worden weergegeven:
Tijdvak
Dagtekening
Beschikkingsnummer
Teruggaaf
Rente
Q1 2018
20 december 2023
[BSN] .O.01.8216
€ 6.705
€ 1.257
Q2 2018
20 december 2023
[BSN] .O.01.8247
€ 20.804
€ 3.898
Q3 2018
20 december 2023
[BSN] .O.01.8278
€ 52.533
€ 9.841
Q4 2018
17 april 2024
[BSN] .O.01.8309
€ 2.803
€ 594
Q2 2019
26 december 2023
[BSN] .O.01.9247
€ 0
€ 0
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze teruggaaf- en belastingrentebeschikkingen. De inspecteur heeft de bezwaren afgewezen.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur [inspecteur 1], mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3]. Van hetgeen ter zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met deze uitspraak wordt meegezonden.
1.4.
Namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen. De zittingsuitnodiging is op 30 juni 2025 in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst en uit het dossier - specifiek uit bijlage 1 bij de brief van de (toenmalig) gemachtigde van 21 augustus 2025 - blijkt dat de (toenmalig) gemachtigde de uitnodiging in goede orde heeft ontvangen. De zittingsuitnodiging is dus op 30 juni 2025 ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. [2] De gemachtigde heeft zich vervolgens eerst eind augustus 2025 aan de procedure onttrokken.

Beoordeling door de rechtbank

2. In geschil is of belanghebbende voor de tijdvakken gelegen in 2018 en het tijdvak tweede kwartaal 2019 recht heeft op een hogere teruggaaf van omzetbelasting. De rechtbank beoordeelt het geschil aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De belastingkamer van de rechtbank kan in deze procedure niet beoordelen of belanghebbende recht heeft op een hogere teruggaaf van de in de tijdvakken gelegen in 2018. Voor zover de beroepen zich namelijk richten tegen de beslissing van de inspecteur om de teruggaaf te weigeren is de belastingrechter onbevoegd. De rechtbank is verder van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat zij voor het tijdvak tweede kwartaal 2019 recht heeft op aftrek van voorbelasting. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende is een in Spanje gevestigde vennootschap en kwalificeert als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). De activiteiten van belanghebbende bestaan uit handel in olie, smeermiddelen en aanverwante producten.
3.1.
In het kader van deze activiteiten heeft belanghebbende in 2018 adviesdiensten afgenomen bij [adviseur]. [adviseur] kwalificeert als een in Nederland gevestigde ondernemer.
3.2.
Voor haar dienstverlening heeft [adviseur] facturen aan belanghebbende uitgereikt. Op de facturen staat dat 21% Nederlandse omzetbelasting in rekening is gebracht over de verleende diensten.
3.3.
De in rekening gebrachte omzetbelasting heeft belanghebbende in haar aangiften voor het eerste kwartaal 2018 tot en met het vierde kwartaal 2018 als aftrekbare voorbelasting opgevoerd. De inspecteur heeft deze aftrek van voorbelasting bij de afhandeling van de aangiften van het eerste kwartaal 2018 tot en met het vierde kwartaal 2018 gecorrigeerd en de aftrek geweigerd.
3.4.
In de aangifte voor het tweede kwartaal 2019 heef belanghebbende om aftrek van € 25 aan voorbelasting gevraagd. De inspecteur heeft de aftrek van voorbelasting geweigerd, omdat belanghebbende geen facturen heeft verstrekt ter onderbouwing van de gevraagde aftrek.

Motivering

4. Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op teruggaaf van de in de tijdvakken gelegen in 2018 aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting. Dit omdat de omzetbelasting ten onrechte in rekening is gebracht.
4.1.
De aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting is geen aftrekbare voorbelasting in de zin van artikel 15 van de Wet OB en kan daarom niet via de aangifte worden teruggevraagd. In zoverre is er geen rechtsgrond om de door belanghebbende verzochte teruggaaf te verlenen bij de teruggaafverzoeken met betrekking tot de tijdvakken in het jaar 2018.
4.2.
Voor teruggaaf van deze omzetbelasting dient belanghebbende een herzieningsverzoek in te dienen bij de inspecteur. De inspecteur heeft aangenomen dat belanghebbende een dergelijk herzieningsverzoek (impliciet) heeft gedaan en de inspecteur heeft op dit impliciete verzoek bij de motivering van de uitspraak op bezwaar beslist door de herziening te weigeren. Dit betreft een beslissing op basis van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Een dergelijke beslissing is in de wet niet aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beslissing.
4.3.
Tegen de beslissing van de inspecteur om niet aan het impliciete verzoek tegemoet te komen staat dan ook – gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen – geen bezwaar en beroep bij de belastingrechter open. [3] Voor zover belanghebbende daar in deze procedure tegen opkomt, is de rechtbank dus onbevoegd. Belanghebbende kan zich hiervoor wenden tot de civiele rechter.
4.4.
Belanghebbende heeft geen overige klachten aangevoerd tegen de uitspraken op bezwaar inzake de teruggaafbeschikkingen over de tijdvakken in 2018, waardoor het beroep tegen die beschikkingen ongegrond is.
4.5.
Belanghebbende stelt verder nog dat zij voor het tijdvak tweede kwartaal 2019 recht heeft op aftrek van € 25 aan voorbelasting. In de aangifte voor het tweede kwartaal 2019 heeft belanghebbende op reguliere wijze om aftrek van € 25 aan voorbelasting verzocht. De bewijslast betreffende het recht op teruggaaf van omzetbelasting rust op belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aan de op haar rustende bewijslast voldaan. Belanghebbende heeft geen facturen overgelegd waarop de betreffende omzetbelasting wordt vermeld en heeft ook geen inzicht gegeven in de aard van de gefactureerde kosten en/of prestaties ter zake waarvan de omzetbelasting aan haar in rekening is gebracht. Belanghebbende heeft enkel gesteld dat zij recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting. Dat is gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur en de bewijslastverdeling in dit kader onvoldoende. De inspecteur heeft het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting voor het tijdvak tweede kwartaal 2019 dan ook terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5. De belastingkamer van de rechtbank verklaart zich onbevoegd voor zover de beroepen zich richten tegen de beslissing van de inspecteur om de verzochte teruggaaf van de in de tijdvakken gelegen in 2018 aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting te weigeren. Belanghebbende heeft verder geen recht op een (hogere) teruggaaf van omzetbelasting voor de in geschil zijnde teruggaafbeschikkingen. De teruggaafbeschikkingen blijven daarom in stand.
5.1.
Belanghebbende krijgt het door haar betaalde griffierecht niet terug en zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de beroepen welke zich richten tegen de beslissing van de inspecteur op het verzoek van belanghebbende om de aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting over het jaar 2018 terug te geven;
  • verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzitter, mr. S.A.J. Bastiaansen en prof. dr. G. van Norden, rechters, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 27 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Namens de voorzitter tekent mr. S.A.J. Bastiaansen.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan de partij die niet digitaal procedeert aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:17 van de Awb.
3.Artikel 26 van de AWR.