In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 27 november 2025, wordt de zaak behandeld van belanghebbende SL, een in Spanje gevestigde vennootschap, tegen de inspecteur van de Belastingdienst. De rechtbank beoordeelt de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 20 september 2024 en 31 oktober 2024, betreffende teruggaaf van omzetbelasting over verschillende tijdvakken in 2018 en het tweede kwartaal van 2019. De inspecteur had teruggaafbeschikkingen afgegeven, maar belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van deze teruggaaf en de belastingrentebeschikkingen.
Tijdens de zitting op 4 september 2025 is belanghebbende niet verschenen, terwijl de zittingsuitnodiging correct was verzonden. De rechtbank stelt vast dat zij onbevoegd is om de beroepen te beoordelen die zich richten tegen de beslissing van de inspecteur om de teruggaaf te weigeren, omdat deze beslissing niet voor bezwaar vatbaar is. De rechtbank concludeert dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt recht te hebben op een hogere teruggaaf van omzetbelasting voor de tijdvakken in 2018 en het tweede kwartaal van 2019. De rechtbank wijst erop dat de bewijslast voor de teruggaaf bij belanghebbende ligt, en dat zij niet voldoende bewijs heeft geleverd om haar verzoek te onderbouwen.
De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor de beroepen die zich richten tegen de beslissing van de inspecteur en verklaart de beroepen voor het overige ongegrond. Belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten door middel van hoger beroep bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending.