ECLI:NL:RBZWB:2025:8126

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
11875147 VV EXPL 25-72 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Mr. Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering van werknemer tot betaling van achterstallig loon en vakantiegeld in kort geding

In deze zaak vordert de werknemer, die sinds 2 december 2015 in dienst is bij de werkgever als Media Adviseur, betaling van achterstallig loon en vakantiegeld, vermeerderd met wettelijke verhoging, wettelijke rente en proceskosten. De werkgever stelt dat alle bedragen die in een eerder vonnis van de kantonrechter zijn toegekend, zijn betaald en dat er geen bedragen meer openstaan. De kantonrechter oordeelt dat er een te laag bedrag aan vakantiegeld is betaald, waardoor dat deel van de vordering toewijsbaar is. De overige vorderingen worden afgewezen omdat de gevorderde bedragen onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt. De werkgever is niet verplicht om herziene loonspecificaties te verstrekken, en er is onvoldoende aanleiding om de werkgever in de werkelijke proceskosten te veroordelen. De kantonrechter concludeert dat de werknemer ontvankelijk is in zijn vorderingen, gezien het spoedeisende belang van het inkomen. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van € 227,50 bruto aan achterstallig vakantiegeld en de wettelijke verhoging toe, evenals de proceskosten van € 916,04. De vorderingen in reconventie van de werkgever worden afgewezen, en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11875147 \ VV EXPL 25-72
Vonnis in kort geding van 3 november 2025
in de zaak van
[werknemer],
wonende te [adres 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigden: mr. A. Achouitar, advocaat te Nijmegen,
tegen
de besloten vennootschap [werkgever] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats] en kantoorhoudende te [adres 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [werkgever] ,
vertegenwoordigd door [eigenaar] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 oktober 2025 met producties;
- het e-mailbericht van 16 oktober 2025 van [werknemer] met één productie;
- het e-mailbericht van 17 oktober 2025 van [werknemer] met producties;
- het op 17 oktober 2025 ter griffie ontvangen verweerschrift met producties;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 27 oktober 2025;
- de op de mondelinge behandeling overgelegde eiswijziging van [werknemer] .
1.2.
Op mondelinge behandeling heeft de kantonrechter navraag gedaan naar de wijze waarop het loon op de loonspecificaties is opgenomen. Uit de loonspecificaties volgt dat in plaats van het geldende loon steeds een lager bedrag aan ziekengeld wordt uitgekeerd. [werkgever] heeft aangegeven geen antwoord te kunnen geven op de vragen van de kantonrechter over het ziekengeld, omdat zij dit met haar administratiekantoor moet bespreken. Zij is in de veronderstelling dat het loon wordt uitgekeerd zoals het hoort. Naar aanleiding van die vragen heeft de gemachtigde van [werknemer] zijn eis met betrekking tot het achterstallig loon willen wijzigen. De kantonrechter heeft, gelet op de reactie van [werkgever] , de eiswijziging niet toegestaan. In de dagvaarding en de bijgevoegde producties wordt op dit punt niet ingegaan en [werkgever] heeft, gelet op haar reactie, zich niet (voldoende) op de eiswijziging kunnen voorbereiden. De kantonrechter acht de eiswijziging dan ook in strijd met de goede procesorde.
Waar gaat deze zaak over?
[werknemer] vordert achterstallig loon en vakantiegeld, te vermeerderen met wettelijke verhoging, de wettelijke rente en de werkelijke proceskosten, onder afgifte van herziene loonspecificaties. [werkgever] stelt dat de bedragen, die zijn toegekend in het vonnis van de kantonrechter, zijn uitgekeerd. Ook is het loon vanaf 1 juli 2025 steeds uitgekeerd, zodat er geen bedrag meer open staat. Zij heeft van al die bedragen specificaties verstrekt, zodat zij niet gehouden is herziene loonspecificaties te verstrekken. De kantonrechter concludeert dat er een te laag bedrag aan vakantiegeld is betaald, zodat dat deel van de vordering, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente, toewijsbaar is. De overige vorderingen worden afgewezen, omdat de gevorderde bedragen onvoldoende aannemelijk zijn. Uit de wet volgt niet dat [werkgever] herziene loonspecificaties moet verstrekken. Er is vervolgens onvoldoende aanleiding om [werkgever] in de werkelijke proceskosten te veroordelen.

2.De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:
  • [werknemer] is op 2 december 2015 in dienst getreden bij [werkgever] in de functie van Media Adviseur tegen een bruto salaris van € 3000,00 (exclusief 8% vakantiegeld en emolumenten) per maand;
  • [werknemer] heeft zich op 14 april 2025 per e-mailbericht ziek gemeld bij [werkgever] ;
  • bij dagvaarding van 9 juli 2025 heeft [werknemer] een kort geding aanhangig gemaakt tot betaling van achterstallig loon, te vermeerderen met wettelijke verhoging, wettelijke rente en (werkelijke) kosten. Bij vonnis van 6 augustus 2025 heeft de kantonrechter een bedrag van € 1.500,00 bruto aan achterstallig loon over de periode januari 2025 tot en met juni 2025, een bedrag van € 1.750,00 bruto aan wettelijke verhoging, de wettelijke rente over het achterstallige loon en de proces- en nakosten, bij vonnis begroot op € 916,04, toegekend;
  • [werknemer] heeft dit vonnis op 19 augustus 2025 aan [werkgever] laten betekenen. De deurwaarder heeft voor de tenuitvoerlegging van het vonnis een bedrag van € 547,79 aan kosten in rekening gebracht.

3.Het geschil

In conventie en reconventie:
3.1.
[werknemer] vordert, na wijziging van eis (voor zover toegestaan), om bij voorlopige voorziening, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[werkgever] te veroordelen tot betaling, binnen twee dagen na dagtekening van dit vonnis, van een bedrag van € 227,50 bruto aan achterstallig vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
[werkgever] te veroordelen tot betaling, binnen twee dagen na dagtekening van dit vonnis, van een bedrag van € 500,00 bruto aan achterstallig loon over juli en september 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
[werkgever] te veroordelen tot betaling, binnen twee dagen na dagtekening van dit vonnis, van een bedrag van € 1.367,26 netto aan achterstallig loon over 1 augustus 2025 tot en met heden, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
[werkgever] te veroordelen om binnen twee dagen na dagtekening van dit vonnis over te gaan tot het verstrekken van deugdelijke bruto-/nettospecificaties over de periode januari 2025 tot en met heden op straffen van een dwangsom;
[werkgever] te veroordelen in de (werkelijke) proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[werknemer] stelt dat [werkgever] , ondanks diverse sommaties van [werknemer] en het voornoemde vonnis van de kantonrechter, heeft nagelaten het volledige vakantiegeld en het loon vanaf 1 juli 2025 uit te betalen aan [werknemer] . [werkgever] heeft het vakantiegeld niet bijgesteld naar aanleiding van het voornoemde vonnis van de kantonrechter. Bovendien blijft zij een te laag bedrag aan loon uitkeren. Dit getuigt van slecht werkgeverschap. Omdat [werkgever] de gevorderde bedragen ten onrechte onbetaald laat, is zij wettelijke verhoging, wettelijke rente en kosten verschuldigd geworden. Gelet op het slecht werkgeverschap is er aanleiding om van de liquidatietarieven af te wijken en de werkelijke (proces)kosten toe te kennen. Het spoedeisend belang is gelegen in het feit dat het gaat om inkomen en [werknemer] geen andere mogelijkheid heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien.
3.3.
[werkgever] B.V. voert verweer in conventie. In reconventie vordert zij een verklaring voor recht dat zij volledig heeft voldaan aan het vonnis van de kantonrechter en een verbod aan [werknemer] om verdere executiemaatregelen te (laten) treffen en ten onrechte aan derden te berichten dat er nog achterstallige bedragen openstaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.4.
Ter onderbouwing van haar verweer voert zij aan dat de in het vonnis toegekende bedragen zijn betaald. Ook is het loon steeds betaald, zodat er geen bedrag meer openstaat. Het vonnis van de kantonrechter is in kracht van gewijsde gegaan en heeft gezag van gewijsde gekregen. Over het loon vanaf 1 juli 2025 is geen oordeel gegeven door de kantonrechter. Het meer of anders gevorderde is immers afgewezen, zodat over de maanden na juni 2025 geen nabetaling nodig is. Ook volgt daaruit dat [werkgever] het vakantiegeld niet hoeft te herzien en aangepaste loonspecificaties af te geven. De verrekening van € 4.000,00 ziet op de afrekening van het vonnis van de kantonrechter. Het ziekengeld wordt op de gebruikelijke wijze geadministreerd. Een tweede veroordeling tot betaling van de wettelijke verhoging en wettelijke rente is uitgesloten. [werkgever] vraagt in conventie dan ook de vordering af te wijzen. Gelet op het voorgaande stelt [werkgever] de voornoemde vordering in reconventie in. Het spoedeisend belang van de vordering in reconventie is dat [werknemer] heeft aangekondigd een deurwaarder te zullen inschakelen. Dit veroorzaakt onnodige kosten en reputatieschade.

4.De beoordeling

In conventie en reconventie:
Bevoegdheid Nederlandse rechter en het toepasselijk recht:
4.1.
[werknemer] is woonachtig in Duitsland, zodat de kantonrechter moet beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is de zaak te behandelen en welk recht op de overeenkomst van toepassing is.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is de zaak te behandelen op grond van artikel 21 lid 1 onder a van de in deze toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012. De Nederlandse rechter is bevoegd, aangezien [werkgever] in Nederland gevestigd is.
4.3.
Voorts is van belang welk recht op de overeenkomst van toepassing is. Gelet op artikel 8 lid 1 in samenhang met artikel 3 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 593/2008, is op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing.
In conventie:
Ontvankelijkheid:
4.4.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [werknemer] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.
4.5.
Aangezien de vorderingen van [werknemer] zien op zijn inkomen is de zaak naar zijn aard spoedeisend. Loon en vakantiegeld dienen immers om in levensonderhoud te kunnen voorzien. [werknemer] is dan ook ontvankelijk in zijn vorderingen.
Kracht van gewijsde:
4.6.
Het meest verstrekkende verweer van [werkgever] is dat het vonnis van de kantonrechter in kracht van gewijsde is gegaan en gezag van gewijsde heeft gekregen, zodat [werknemer] geen aanspraak meer kan maken op andere (lees: hogere) bedragen dan die in het vonnis zijn toegekend.
4.7.
De kantonrechter overweegt dat in artikel 236 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering is opgenomen:
‘Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht.’. Uit het vonnis van de kantonrechter volgt niet dat er is geoordeeld over het gevorderde vakantiegeld en het loon vanaf 1 juli 2025. Het staat [werknemer] dan ook vrij daar alsnog een procedure over te beginnen. Bovendien ligt in het verlengde van artikel 257 Rv dat aan een vonnis in kort geding geen kracht/gezag van gewijsde toekomt. Dit verweer van [werkgever] slaagt niet.
Vakantiegeld:
4.8.
In het vonnis van de kantonrechter is vastgesteld dat [werkgever] ten onrechte een lager loon heeft uitgekeerd aan [werknemer] . Omdat uitgegaan moet worden van een hoger loon is ook een hoger bedrag aan vakantiegeld verschuldigd. Tussen partijen staat vast dat het vakantiegeld niet is opgehoogd. Op de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter geconstateerd dat een bedrag van € 2.652,50 bruto aan vakantiegeld is uitbetaald, terwijl een bedrag van € 2.880,00 bruto verschuldigd was. Het is dan ook voldoende aannemelijk dat een bedrag van € 227,50 bruto aan vakantiegeld ten onrechte niet is betaald. Dit bedrag is dan ook toewijsbaar.
Achterstallig loon:
4.9.
[werknemer] vordert tweemaal een bedrag van € 250,00 over juli en september 2025, omdat [werkgever] in die maanden (nog) is uitgegaan van het lagere loon van € 2.750,00 en niet van € 3.000,00. Ter onderbouwing van de vordering wijst [werknemer] op het vonnis van de kantonrechter.
4.10.
De kantonrechter heeft op de mondelinge behandeling [werknemer] erop gewezen dat over juli en september 2025 geen loon is betaald, maar ziekengeld. Dit ziekengeld is niet gelijk aan het verschuldigde loon, zodat het waarschijnlijk is dat er nog een bedrag openstaat. [werknemer] heeft echter een onjuiste grondslag gehanteerd, zodat dit deel van de vordering niet toewijsbaar is. Daarbij is onduidelijk waarom en op welke wijze het ziekengeld wordt geadministreerd, zodat zonder bewijslevering, wat in een kort gedingprocedure niet mogelijk is, niet vast te stellen is welk bedrag nog moet worden betaald.
4.11.
Vervolgens vordert [werknemer] nog een bedrag van € 1.367,26 netto aan loon over augustus 2025. Dit deel van de vordering hangt samen met een verrekening door [werkgever] van de betalingen uit hoofde van het vonnis van de kantonrechter.
4.12.
De kantonrechter overweegt dat uit loonspecificatie 7.2 volgt dat uit hoofde van het vonnis van de kantonrechter een bedrag van € 1.500,00 bruto aan achterstallig loon, een bedrag van € 1.750,00 bruto aan wettelijke verhoging, een bedrag van € 916,04 aan proceskosten en een bedrag van € 10,77 aan wettelijke rente in die loonspecificatie is verwerkt. Vervolgens wordt een bedrag van € 4.000,00 verrekend onder de noemer “Voorschot inhouding”. Tussen partijen staat daarnaast vast dat [werkgever] daarnaast nog een bedrag van € 160,87 aan betekeningskosten moe(s)t voldoen, welk bedrag niet de voornoemde loonspecificatie is vermeld.
4.13.
De kantonrechter heeft geen zicht op het bedrag dat [werkgever] eerder in voorschot aan [werknemer] heeft betaald. Er is een bedrag van € 4.000,00 verrekend, terwijl op de mondelinge behandeling is vermeld dat een bedrag van € 4.300,00 is betaald. De kantonrechter heeft ook geen zicht op welke bedragen in de voorschotbetaling waren opgenomen. Onder die omstandigheden kan de kantonrechter alleen vaststellen dat er een te hoog voorschot door [werkgever] is betaald, zodat zij een bedrag mocht verrekenen, maar niet welk bedrag dat was. Het is dus onvoldoende aannemelijk dat er een te hoog bedrag is verrekend en dat over augustus 2025 nog een bedrag verschuldigd is.
4.14.
[werknemer] heeft op de mondelinge behandeling nog aangegeven dat het voor hem lastig is om het achterstallige loon te specificeren, omdat de administratie van [werkgever] onduidelijk is. Dit moet naar zijn mening voor rekening en risico van [werkgever] komen, zodat de vordering alsnog dient te worden toegewezen. De kantonrechter overweegt dat [werknemer] de vordering instelt, zodat het in beginsel aan hem is om voldoende inzicht in de verschuldigde bedragen te verschaffen om deze te kunnen toewijzen. Als dit onvoldoende duidelijk is kan de kantonrechter de vordering in kort geding niet toewijzen. De kantonrechter wijst [werknemer] er in dat kader op dat er in een bodemprocedure meer mogelijkheden zijn om informatie op te vragen van [werkgever] of bewijs te verlangen/leveren.
Loonspecificaties:
4.15.
[werknemer] vordert herziene loonspecificaties over de periode januari 2025 tot en met heden. [werkgever] betwist dat zij herziene loonspecificaties dient te verstrekken.
4.16.
De kantonrechter overweegt dat in artikel 7:626 lid 1 BW is opgenomen dat de werkgever verplicht is een loonspecificatie te verstrekken bij elke voldoening van het in geld vastgestelde loon. Hierin ligt niet besloten dat loonspecificaties nadien moeten worden aangepast, zodat het gevorderde niet toewijsbaar is. De kantonrechter wijst [werkgever] er wel op dat zij er uiteindelijk voor moet zorgdragen dat alle verschuldigde bedragen op een juiste manier worden geadministreerd en opgenomen in een loonspecificatie.
De wettelijke verhoging en wettelijke rente:
4.17.
[werknemer] vordert de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het toegewezen vakantiegeld.
4.18.
Hiervoor is al overwogen dat er geen sprake is van gezag van het gewijsde over het nog verschuldigde vakantiegeld. Tussen partijen staat vast dat dit te laat is betaald, aangezien het bedrag op dit moment nog niet is voldaan. Het voorgaande leidt ertoe dat de wettelijke verhoging en wettelijke rente kunnen worden toegewezen over het nog openstaande bedrag. Gelet op de omstandigheden van het geval zal de kantonrechter de wettelijke verhoging beperken tot 25%. De wettelijke verhoging dient immers als prikkel om tijdig het loon te betalen. Die functie heeft de wettelijke verhoging in deze zaak niet meer, zodat een matiging op zijn plaats is.
Werkelijke proceskosten:
4.19.
[werkgever] B.V. is deels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [werknemer] vraagt [werkgever] te veroordelen in de werkelijke proceskosten.
4.20.
De kantonrechter overweegt dat een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten volgens vaste jurisprudentie alleen toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering of het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een partij haar vordering of verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het voeren van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828).
4.21.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de omstandigheden in de onderhavige zaak onvoldoende om tot een veroordeling in de werkelijke proceskosten te komen. De stellingen van [werkgever] lijken meer voort te vloeien uit onwetendheid en ruis in de communicatie met haar administratiekantoor dan kwade opzet. Daarbij is de gemachtigde van [werknemer] voor een deel van de vordering van een onjuiste grondslag uitgegaan, wat niet heeft bijgedragen in de duidelijkheid voor [werkgever] . De proceskosten van [werknemer] worden, gelet op het voorgaande, begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
916,04
4.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.23.
De kantonrechter raadt [werkgever] (en [werknemer] ) aan om, al dan niet samen met het administratiekantoor van [werkgever] , in overleg te treden over de wijze van administreren, zodat duidelijk wordt welke bedragen [werkgever] nog verschuldigd is aan [werknemer] en verdere procedures onnodig zijn.
In reconventie:
4.24.
[werkgever] vordert een verklaring voor recht dat zij volledig heeft voldaan aan het vonnis van de kantonrechter. Dit deel van de vordering is niet toewijsbaar. Een verklaring voor recht zou een rechtstoestand vaststellen tussen partijen en dit is niet mogelijk in een kort geding, omdat de kantonrechter in een kort gedingprocedure alleen een voorlopig oordeel kan geven. Indien [werkgever] een verklaring voor recht wenst, zal zij een bodemprocedure moeten starten.
4.25.
Het vervolgens gevorderde verbod tot het treffen van verdere executiemaatregelen is evenmin toewijsbaar. Het uitgangspunt van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is dat de executant (in dit geval [werknemer] ) het vonnis ten uitvoer mag leggen. Hooguit kan dit worden verboden onder bijzondere omstandigheden (zie Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). [werkgever] heeft dergelijke omstandigheden niet gesteld. Daarbij is het vonnis inmiddels ten uitvoer gelegd, zodat [werkgever] geen belang heeft bij haar vordering.
4.26.
Tot slot vordert [werkgever] [werknemer] te verbieden aan derden te berichten dat er nog achterstallige bedragen openstaan. Hiervoor is geoordeeld dat er nog een bedrag openstaat, zodat er geen grond is deze vordering toe te wijzen.
4.27.
De vordering in reconventie wordt afgewezen. Gelet op het geringe debat in reconventie, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
In conventie:
5.1.
veroordeelt [werkgever] om binnen twee dagen na heden aan [werknemer] te betalen:
  • een bedrag van € 227,50 bruto aan achterstallig vakantiegeld;
  • een bedrag van € 56,88 bruto aan wettelijke verhoging over het te laat betaalde vakantiegeld;
  • de wettelijke rente over het te laat betaalde vakantiegeld vanaf 7 oktober 2025 tot de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 916,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In reconventie:
5.5.
wijst de vorderingen af;
5.6.
compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
In conventie en reconventie:
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2025.