ECLI:NL:RBZWB:2025:8094

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
BRE 23/2901 Wajong
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:5 WajongArt. 2 Beleidsregels verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verhoging Wajong-uitkering naar 100% vanwege voldoende Wlz-zorg

Eiser verzocht om verhoging van zijn Wajong-uitkering naar 100% van de grondslag, maar het UWV verhoogde deze slechts tot 85% omdat volgens hen de Wlz-zorg reeds in belangrijke mate voorziet in zijn behoefte aan oppassing en verzorging.

De rechtbank oordeelt dat eiser voldoet aan de formele vereisten voor verhoging, maar dat het geschil gaat over de uitleg van 'in belangrijke mate'. De zorg die eiser ontvangt op basis van zijn Wlz-indicatie VG6 omvat meerdere dagdelen per week met diverse vormen van ondersteuning en oppassing, wat volgens de rechtbank substantieel is.

De rechtbank volgt het UWV en de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat deze zorg voldoende is om de verhoging tot 100% te beperken tot 85%. Eiser slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de zorg onvoldoende is of dat extra kosten gemaakt moeten worden.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst zij het verzoek tot verhoging af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verhoging van de Wajong-uitkering naar 100% is ongegrond verklaard; de uitkering blijft op 85%.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2901 Wajong
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. H. Akbaba),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV), verweerder
(gemachtigde: mr. M.B.A. van Grinsven).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verhoging van zijn Wajong-uitkering naar 100% van de grondslag.
1.1.
Het UWV heeft eisers aanvraag met het besluit van 3 november 2022 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 april 2023 heeft het UWV eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.2.
Het UWV heeft op het beroep van eiser gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft besloten de Wajong-uitkering van eiser te verhogen naar 85% van de grondslag in plaats van de door eiser verzochte 100%. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Beleidsregels verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid (de Beleidsregels) gestelde vereisten om in aanmerking te komen voor een verhoging van zijn Wajong-uitkering tot 100% van de grondslag. In geschil is of het UWV deze verhoging terecht heeft beperkt tot 85% op grond van artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregels. Daaruit volgt dat de uitkering verhoogd wordt tot 85% indien uit hoofde van een andere voorziening reeds in belangrijke mate in de behoefte aan oppassing en verzorging wordt voorzien. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan dit beleid de rechterlijke toetsing doorstaan. [1]
5. Partijen verschillen van mening over de vraag of met eisers Wlz-indicatie voor zorgzwaartepakket VG6 in belangrijke mate in zijn behoefte aan oppassing en verzorging wordt voorzien. Eiser wijst voor de uitleg van het begrip ‘in belangrijke mate’ op een uitspraak van de CRvB waarin is geoordeeld dat dit niet meer dan 50% hoeft te zijn (maar wel iets substantieels). [2] Volgens eiser wordt met de 15 tot 18,5 uur zorg die hij op grond van zijn zorgzwaartepakket VG6 krijgt slechts voorzien in ongeveer 11,31 tot 16,96% van de 24-uurs zorgbehoefte. Uit de zorgplannen die in het dossier zitten, blijkt echter dat eiser vier dagdelen per week Wlz-zorg krijgt. De verzekeringsarts bezwaar & beroep van het UWV heeft deze plannen bestudeerd. In de rapportage van 4 april 2023 stelt zij dat eiser vanuit de Wlz zorg en begeleiding krijgt in de ochtend, middag, avond en nacht bij diverse activiteiten en leerdoelen, ADL persoonlijke verzorging, organiseren van het huishouden, boodschappen halen, het plannen en organiseren van afspraken, huishoudelijke taken, sociale participatieproblematiek, concentratieproblemen, de persoonlijkheidsstoornis, onrust, explosief reageren, niet tegen stress kunnen, het beschikken over onvoldoende vaardigheden, begripsproblematiek, en verzwakt en weinig uithoudingsvermogen. Er is sprake van een noodzaak voor min of meer continue oppassing en aansporing en advies of hulp bij persoonlijke verzorging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV op basis hiervan kunnen concluderen dat met eisers Wlz-indicatie in belangrijke mate in zijn behoefte aan oppassing en verzorging wordt voorzien. Nader onderzoek hiernaar was dan ook niet nodig. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat niet in belangrijke mate in zijn behoefte wordt voorzien met de Wlz-zorg die hij ontvangt. Daarin is hij niet geslaagd. Gesteld noch gebleken is dat het persoonsgebonden budget dat eiser ontvangt om de Wlz-zorg in te kopen onvoldoende zou zijn of dat er extra kosten gemaakt moeten worden. Het bestreden besluit kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025 door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: juridisch kader

Wajong
Artikel 1a:5
Indien de jonggehandicapte verkeert in een blijvende of voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de duur van die hulpbehoevendheid verhoogd tot ten hoogste de grondslag. De eerste zin vindt geen toepassing, indien de jonggehandicapte in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering inzake ziektekosten komen.
Beleidsregels verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid
Artikel 2
1. De uitkering wordt verhoogd tot 100% van het dagloon, het vervolgdagloon of de grondslag, dan wel tot 100/75 van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel tot 100/75 of 100/70 van de WGA-uitkering:
a. indien de verzekerde hulp nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en continue oppassing noodzakelijk is;
b. indien de verzekerde hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en continue oppassing noodzakelijk is;
c. indien de verzekerde hulp nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn.
2. In de gevallen bedoeld in het eerste lid wordt de uitkering slechts verhoogd tot 85% van het dagloon, het vervolgdagloon of de grondslag dan wel tot 85/75 van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel tot 85/75 of 85/70 van de WGA-uitkering, indien uit hoofde van een andere voorziening reeds in belangrijke mate in de behoefte aan oppassing en verzorging van de verzekerde wordt voorzien.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1829.
2.Uitspraak van 25 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV2699.