ECLI:NL:RBZWB:2025:7890
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herleving van Wajong-uitkering na detentie en de bepalende datum van aanvraag
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 17 november 2025, in de zaak tussen eiser, vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder, en het UWV, staat de herleving van de Wajong-uitkering centraal. Eiser ontving sinds 3 juni 2011 een Wajong-uitkering, die door het UWV werd beëindigd op 15 april 2023 vanwege zijn detentie. Na zijn vrijlating op 15 november 2024 verzocht eiser het UWV om zijn uitkering te laten herleven, maar het UWV stelde dat de herleving pas inging op de datum van ontvangst van zijn aanvraag, 7 december 2024. Eiser was het hier niet mee eens en voerde aan dat zijn uitkering per datum van vrijlating of ten minste per datum van zijn aanvraag op 20 november 2024 had moeten herleven.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht had besloten dat de uitkering op 7 december 2024 herleefde. De rechtbank benadrukte dat de wetgeving omtrent de Wajong-uitkering bepaalt dat de herleving van de uitkering afhankelijk is van de datum van aanvraag en niet van de datum van vrijlating. Eiser had niet aangetoond dat zijn situatie gelijk was aan die van andere cliënten die eerder een herleving hadden gekregen. De rechtbank concludeerde dat het beroep van eiser ongegrond was, wat betekende dat er voor hem niets veranderde en dat hij geen proceskostenvergoeding ontving.