Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur die het recht op de startersvrijstelling overdrachtsbelasting heeft afgewezen. De woning werd gekocht voor €517.500, wat hoger is dan de in 2024 geldende woningwaardegrens van €510.000. Belanghebbende stelde dat hij bij het bieden op de woning niet op de hoogte was van deze grens en dat de Belastingdienst deze niet tijdig op de website had vermeld, wat volgens hem strijd oplevert met het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank overweegt dat de wetgever de waardegrens tijdig heeft gepubliceerd in de Staatscourant van december 2022 en dat belanghebbende zich hierover had kunnen informeren. Er is geen wettelijke verplichting voor de Belastingdienst om toekomstige grenzen op de website te publiceren. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel wordt daarom verworpen.
Daarnaast is het beroep op het evenredigheidsbeginsel afgewezen. De rechtbank stelt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een drempelbedrag waarbij bij overschrijding overdrachtsbelasting over het gehele bedrag wordt geheven. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze strikte toepassing rechtvaardigen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van de betaalde overdrachtsbelasting van €5.175. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.