Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:7376

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
BRE 24/7201
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:10 AwbArt. 8:54 AwbArt. 111 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens premature ingebrekestelling bij UWV-beslistermijn

Opposante heeft beroep ingesteld tegen het UWV wegens vermeend niet tijdig beslissen op meerdere bezwaren. De rechtbank stelde bij uitspraak van 18 juni 2025 het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond vast, waarna opposante verzet instelde.

De rechtbank oordeelt dat het verzet ongegrond is. Opposante erkent de herziene beslissing van het UWV maar wenst het beroep niet in te trekken vanwege een vordering op vakantiegeld, een feitelijke handeling waartegen geen bezwaar mogelijk is. De rechtbank bevestigt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat het UWV inmiddels een beslissing heeft genomen.

Verder stelt opposante dat de beslistermijn onrechtmatig is verlengd, maar de rechtbank wijst dit af omdat de verlenging tijdig en rechtsgeldig is medegedeeld zonder toestemming van opposante. De ingebrekestellingen waren prematuur omdat ze vóór het einde van de verlengde termijn werden gedaan. Zonder een geldige ingebrekestelling bestaat geen recht op een bestuurlijke dwangsom.

De rechtbank handhaaft daarmee haar eerdere uitspraak en verklaart het verzet ongegrond. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van 18 juni 2025 blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7201 V

uitspraak van 29 oktober 2025 van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[oppasante], uit [plaats], opposante [1]
tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 juni 2025 in het geding tussen
opposante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. Opposante heeft beroep ingesteld omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op de volgende bezwaren:
  • het bezwaar van 13 maart 2024 tegen de beslissing van 29 februari 2024 inhoudende de invordering van een onverschuldigd betaald bedrag,
  • het bezwaar van 7 mei 2024 tegen de beslissing van 10 april 2024 inhoudende de bevestiging van een overeengekomen betalingsregeling,
  • het bezwaar van 7 mei 2024 tegen de beslissing van 11 april 2024 inhoudende de invordering van een onverschuldigd betaald bedrag,
  • en het bezwaar van 1 juni 2024 tegen de beslissing van 28 mei 2024 inhoudende het niet kwijtschelden van de openstaande vordering.
Het UWV heeft op 29 november 2024 een (herziene) beslissing op bezwaar genomen.
1.1.
Bij uitspraak van 18 juni 2025 heeft de rechtbank het beroep voor zover het ziet op het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard en voor zover het ziet op de toekenning van de bestuurlijke dwangsom ongegrond verklaard.
1.2.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
1.3.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of in de uitspraak van 18 juni 2025
terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaarschriften
4. Opposante heeft aangevoerd dat zij zich inderdaad kan vinden in de (herziene) beslissing op bezwaar van het UWV van 29 november 2024. Zij geeft nu aan dat zij het beroep niet wil intrekken omdat het UWV haar nog vakantiegeld over de periode tot
31 oktober 2023 moet uitbetalen, een bedrag van € 846,06 inclusief wettelijke rente.
5. De rechtbank merkt op dat de uitbetaling van vakantiegeld een feitelijke handeling is, waartegen geen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter open staat. De bestuursrechter is alleen bevoegd om te oordelen over besluiten van bestuursorganen [3] .
6. In de uitspraak van 18 juni 2025 is dus terecht vastgesteld dat opposante geen procesbelang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen door het UWV op haar bezwaarschriften, omdat het UWV inmiddels een besluit heeft genomen. Het beroep is inderdaad kennelijk niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het niet toekennen van bestuurlijke dwangsom
7. Het beroep van opposante was mede gericht tegen het niet toekennen van de bestuurlijke dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 1 juni 2024 tegen de beslissing van 28 mei 2024.
8. In verzet stelt opposante dat het UWV de beslistermijn van 13 weken niet rechtsgeldig, want te laat, heeft verlengd.
9. De rechtbank stelt vast dat opposante niet betwist dat 8 oktober 2024 de laatste dag was waarop het UWV tijdig een beslissing op haar bezwaren kon nemen [4] en de beslistermijn rechtsgeldig kon verdagen. Anders dan opposante aanvoert, is voor verdaging op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb geen toestemming van opposante vereist.
10. Het UWV heeft opposante op 8 oktober 2024 een brief gestuurd waarin wordt medegedeeld dat de beslistermijn met zes weken wordt verdaagd tot uiterlijk
19 november 2024. Dit verdagingsbesluit is tijdig (want op de laatste dag van de beslistermijn) bekend gemaakt door verzending van de brief aan opposante. Dat opposante de brief pas enkele dagen later via de post heeft ontvangen, is daarbij niet relevant. [5]
11. Opposante heeft het UWV op 15 september 2024 en 8 oktober 2024 in gebreke gesteld. De verlengde beslistermijn liep tot en met 19 november 2024. In de uitspraak van 18 juni 2025 is dus terecht vastgesteld dat beide ingebrekestellingen prematuur waren.
12. In wat opposante verder heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 18 juni 2025. Dat het UWV mogelijk te laat was met de beslissing op de bezwaren geeft zonder rechtsgeldige ingebrekestelling geen recht op de bestuurlijke dwangsom. Het verzet is dus ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 18 juni 2025 in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 29 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Het UWV is een bestuursorgaan.
4.Gelet op artikel 111 van Pro de Wet WIA: beslistermijn van 13 weken.
5.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:709.